Sterf niet in je eentje, zorg voor een goede slotscène

Catharine Edwards: Death in Ancient Rome. Yale University Press, 304 blz. € 42,40

Is de dood ‘de grootste gift van de natuur’? Volgens de Romeinse onderzoeker Plinius bestaat daar geen twijfel over; de dood is een geschenk waar God zijn stervelingen wel om moet benijden. Het zal hem ook wel een beetje zuur stemmen, overweegt Plinius, want de allengs vermoeid en gedesillusioneerd rakende schepper ‘heeft het druk in zo’n uitgestrekt universum’. Door zijn goddelijkheid zit hij opgezadeld met misschien wel veel meer verantwoordelijkheid dan hem lief is. Hoe zou je het je volgelingen moeten uitleggen dat je eerst een wereld schept, dat je je vervolgens in de eredienst laat bewieroken, en dat je er dan alsnog een einde aan maakt. God kan zichzelf niet doden, maar juist dat vermogen heeft hij ‘als mooiste geschenk bij die talloze ellenden van het bestaan’ aan de mens gegeven. Mooi aan het leven is, kortom, dat je zult sterven.

Die monter stemmende zekerheid kan, indien gewenst, nog van enige glorie worden voorzien door een bewuste keuze van het moment en van de wijze van sterven. Een pronte dolkstoot in het eigen hart plaatst het leven in een heroïsch perspectief. Zo’n einde getuigt van vastberadenheid, van moed. En heldhaftigheid gold onder de Romeinen als een intens Romeinse kwaliteit.

Nu is het allerminst zeker dat Plinius’ krasse opvattingen over sterven en zelfmoord door zijn tijdgenoten algemeen gedeeld werden, maar met haar formidabel gedocumenteerde studie Death in Ancient Rome maakt de Britse classica Catharine Edwards aannemelijk dat althans onder de ontwikkelde Romeinen de dood als iets beschouwd werd waarvoor niemand bang hoefde te zijn. De Romein die er één uit het boekje wilde zijn – onverschrokken, dapper – mócht de dood niet vrezen. Al was het maar omdat in het voorchristelijke Rome de eventuele straffen of beloningen van een door God bestierd hiernamaals slechts sporadisch serieus werden genomen. Dat veranderde pas na de invoering van het christendom als staatsgodsdienst.

Edwards voert een keur aan klassieke bronnen op. In haar scherpzinnige betoog doen die antieke teksten in het geheel niet gedateerd aan. Veeleer zijn ze prikkelend genoeg voor een verfrissende bijdrage aan het hedendaagse debat over geloofszaken en andere laatste dingen. Met nuchtere opvattingen als die van Plinius over de dood en het sterven krijgt men ook twintig eeuwen later nog genoeg godvrezers op de kast.

Onder de aangehaalde auteurs zijn er nogal wat die de zelfmoord – een term die de Romeinen zo overigens niet kenden – bejubelen. Seneca bijvoorbeeld: ‘Het maakt niets uit op welk punt je stopt. Hou op waar je wilt, zorg alleen voor een goede slotscène’. Wat in het werk van deze denker opvalt is de heftigheid waarmee hij die boodschap er in hamert, alsof hij zichzelf net zo van ‘het goede sterven’ moet overtuigen als de adressaat van zijn bespiegelingen. Die verzwegen onzekerheid geeft Seneca iets heel moderns. Zijn (manhaftig onderdrukte) twijfels zijn de onze.

Met veel aandacht voor details verhaalt Edwards ook over de spectaculaire zelfmoord van Marcus Porcius Cato, een verdediger van de republiek en dus een tegenstander van Julius Caesar. Cato maakte een einde aan zijn leven toen hij door de aanstaande tiran was verslagen. Zijn laatste uren hadden veel weg van een toneelstuk, compleet met publiek dat later de mare van zijn heldenmoed kon uitdragen. Want heldhaftig stierf Cato wel degelijk: nadat een arts de eerste, niet dodelijke wonden had verbonden, trok Cato vastberaden zijn ingewanden naar buiten. Hij wist dat hij onder helse pijnen ging sterven, maar dat was niets om voor terug te schrikken. Het signaal dat hij afgaf was onmiskenbaar: een Romein laat niet met zich sollen.