‘Speciale relatie’ voor Indonesië

Indonesië heeft grote problemen met corruptie, infrastructuur en arbeidsmarkt. Maar is op de goede weg, zegt de OESO. Lidmaatschap lonkt.

Het duurt nog wel even voordat Indonesië bij de rijke landen van de wereld hoort. Als het al ooit gebeurt. De gemiddelde Indonesiër kan van zijn salaris nu negen keer minder kopen dan een inwoner van een rijk land. Economen hebben becijferd dat als de Indonesische economie de komende twintig jaar met 8,5 procent per jaar zou groeien – wat een wonder zou zijn – het land in 2030 een vergelijkbaar welvaartsniveau heeft ten opzichte van het Westen als Mexico nu.

Toch heeft Indonesië sinds gisteren het vooruitzicht om lid te worden van de club van rijke landen: de OESO. Gisteren presenteerde secretaris-generaal Angel Gurría van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling in Jakarta de eerste economische beschouwing door de organisatie van het land. Dat is het begin van een ‘speciale relatie’ die de aanloop is naar een lidmaatschap, zei Gurría.

Om relevant te blijven kan de OESO geen vereniging blijven van ontwikkelde landen onder elkaar, zegt de Mexicaan. Daarom kunnen binnen afzienbare tijd Rusland, Chili, Israël, Estland en Slovenië lid worden. Daarnaast heeft de OESO vijf landen benaderd voor zo’n ‘speciale relatie’. Naast BRIC-landen Brazilië, India en China ook Indonesië en Zuid-Afrika. „Omdat het grote landen zijn en de OESO er potentie in ziet”, zei Luiz de Mello, een van de auteurs van het rapport. Hij verwacht dat Indonesië, qua inwoners het op drie na grootste land ter wereld, op middellange termijn in net zo’n groeispurt terechtkomt als China, India en Brazilië nu.

Daarvoor moet nog wel veel gebeuren. Het huidige groeipercentage van gemiddeld 5,5 procent over de laatste vier jaar is volgens de OESO niet genoeg om armoede en werkloosheid sneller aan te pakken. Indonesië zal een aantal problemen moeten oplossen.

Vergeleken met andere landen in Azië is het in Indonesië moeilijk zaken doen, signaleert de OESO. Aan eindeloze files in Jakarta is duidelijk te zien dat de wegenbouw hopeloos is achtergebleven bij het aantal auto’s. Ook in de rest van het land is de infrastructuur slecht. Ook de elektriciteitsvoorziening, waarin na de Aziëcrisis in 1997 te lang niet is geïnvesteerd. De stroom valt nu zo vaak uit dat het Japanse bedrijfsleven heeft gedreigd uit het land te vertrekken als dat niet verbetert.

Daarnaast is in Indonesië de rechtszekerheid belabberd, en de corruptie groot. Op de corruptieranglijst van Transparancy International staat Indonesië op plaats 143, achter buren als Thailand, Vietnam, de Filippijnen en Maleisië.

Indonesië is ook minder aantrekkelijk voor bedrijven wegens zijn hoge minimumloon. Niet dat veel werkenden daar iets van merken: de OESO schat dat 80 procent van Indonesië in de informele sector werkt. Om dat percentage omlaag te krijgen, moet Indonesië de arbeidsmarkt liberaliseren, vindt de OESO. Voor de bedrijven die hun werknemers wel officieel in dienst nemen, is het zeer moeilijker ze weer te ontslaan.

Door al deze zaken is de hoeveelheid investeringen die Indonesië aantrekt – zowel van lokale als buitenlandse bedrijven – laag in vergelijking met zijn buren. De hoeveelheid buitenlandse investeringen is nog niet eens terug op het niveau van vóór de Aziëcrisis. Dat de export de afgelopen jaren toch flink is gestegen, komt bijna alleen door prijsstijgingen van de grondstoffen waar Indonesië rijk aan is, zoals hout, gas, koper en kolen. Het exportvolume van deze producten steeg nauwelijks.

De Indonesische overheid is intussen wel op de goede weg, ziet de OESO. Het hele land klaagt over de prijsverhoging van de (gesubsidieerde) benzine in mei, maar de economische organisatie juicht toe dat het eindelijk gelukt is de energiesubsidies enigszins terug te brengen. Door de hoge olieprijs zal naar schatting eenvijfde van het overheidsbudget dit jaar opgaan aan het subsidiëren van brandstoffen en elektriciteit. Zonde, vindt de OESO: dat geld kan beter worden besteed aan nieuwe infrastructuur. Zeker omdat vooral de rijken – met hun auto’s – van de energiesubsidies profiteren.

Ook andere problemen worden aangepakt. Elke week wordt wel een hoge functionaris opgepakt wegens corruptie. Parlementariërs, aanklagers; eerder dit jaar belandde de directeur van de centrale bank zelfs in de cel. Hoewel sommigen klagen dat processen juist langzamer gaan zonder smeergeld, gaat het volgens de OESO wel de goede kant op.

Afgevaardigden van het ministerie van Financiën wilden gisteren niet zeggen welke aanbevelingen ze denken over te nemen. En Angel Gurría toonde zich diplomatiek door te benadrukken dat de OESO Indonesië niet wil vertellen wat het moet doen. Zijn boodschap was dat de OESO in Indonesië gelooft, en dat ze verwacht dat het land net zo’n ontwikkeling kan doormaken als China en India. „Wij willen Indonesië alleen vertellen wat andere landen doen, en hoe zij het doen in vergelijking met die landen. Dan kan Indonesië zijn eigen conclusies trekken.”

Bekijk het rapport over Indonesië via nrc.nl/economie