Met de nachttrein naar Toscane

Reizen met een Duitse InterCity betekent comfort. Hij dendert niet maar zweeft. De auteur schrikt op tussenstations in een slaapcoupé ’s nachts wakker. Een impressie van een treinreis.

Naar Toscane met de trein. Een treinreis boeken is geen kwestie meer van een kaartje kopen aan het loket. Via de internet-treinreiswinkel lukt het. We reizen via Bremen naar München en stappen daar op de nachttrein. Twee uur voor Rome ligt onze eindhalte. Een uur ronken we door Oost-Groningen naar Leer, het Duitse grensstation. We nemen de stoptrein naar Oldenburg, stappen in een sneltrein naar Bremen waar onze Münchener Intercity juist binnenrolt. Als de prullenbakken geleegd zijn en de handdoekjes aangevuld, scharen we ons aan de gereserveerde tafel.

We suizen langs bedrijventerreinen, weiden met houtwallen en beukenbossen. Nächtste Halte Hannover, leert het display boven de gangdeur. Ook verschijnt de rijsnelheid die klimt tot 251 kilometer per uur. Ik mis het kedeng-kedeng en hoop op de nachttrein. Nu rijden we in een IC en dat betekent comfort. Hij dendert niet, hij zweeft. Deuren openen zich na een vingerwijzing. Maar wacht, problemen. Vlakbij Würzburg hollen reeën over het spoor weg voor de knarsende wielen (89 km/h).

Na Würzburg gaat het in volle vaart verder. Achter ons mompelt een dame verhalen tegen zichzelf. Tegenover het gangpad kijkt een Lehrerin proefwerken na. De conducteur passeert met snoepgoed. De kinderen mogen er twee. Ze doen spelletjes op de tafel. We naderen München en gaan naar het toilet. Vroeger zag je het spoor onderin voorbijschieten. Je plas spatte weg. Ik moest er altijd aan denken dat mijn portefeuille erin zou vallen en of mijn nood dan hoog genoeg was voor de Notbremse. Noodrem? Bij hartproblemen zou ik niet graag halverwege Obersinn en Schüchtern stilstaan, maar met 251 per uur het volgende Hauptbahnhof willen halen. Het tocht niet meer langs je gat als je boven de plee hangt. Het is een roestvrij stalen trechter, een blinkende, gladde put. Een lieveheersbeestje probeert op te krabbelen. Kansloos, zeker als de doortrekker elektronisch wordt aangetipt. Even blijft het stil, dan zwelt gebulder aan, gevolgd door een kort venijnig slurpen. Glop, weg is alles door dat nauwe gaatje.

München HBf. Anderhalf uur voor de slaaptrein van 21.07. We sjouwen om het kopstation en strijken neer op een Turks terrasje onder de jaren-’50 kantoorblokken die alle Duitse Grossstädte unheimlich maken. De kebab vult de maag, een Beiers biertje de blaas en trams het blikveld. Een dame op hakken zeult een rugzak, een harige zwerver drie hutkoffers. We lopen met daglicht het station in en rijden er in het aardedonker weer uit. De nacht valt hier tropisch snel en een uur vroeger dan in Nederland.

Vroeger werd je in de nachttrein wakker gesnauwd door douaniers en conducteurs. Nu neemt de Liegewagenschaffnerin de treinkaartjes in. „Ik wek u voor Rome”, zegt ze. „Hoho, we gaan naar Chiusi.” Ze krabbelt notities op het biljet. Een coupé met vier couchettes in plaats van de vroegere zes. Het is warm. Het raam vereist kracht en schiet met een dreun open. E pericoloso sporgersi. Frisse avondlucht stroomt binnen uit de Beierse bergen, aanwakkerend tot een storm die het gordijntje naar buiten rukt. Raam op een kier. Mijn tenen steken eruit. De kinderen vragen of we al in Italië zijn. Nee, eerst Oostenrijk. Ik sluit mijn ogen en geniet van het gekedeng. De ijzige tocht langs mijn voeten betekent dat we door de Alpen rijden. In bochten moet ik me schrap zetten.

Naast ons zit de stemming erin; gelach tot diep in de nacht. De conducteur roept in vier talen om dat de trein in Verona gesplitst wordt in een deel naar Venetië en een deel naar Rome. Op stations schrik ik wakker van de stilte of van “dingdong!” een mededeling over het verlaten perron.

Half zes. Zoon van zes kijkt in de gang naar buiten. Ik voeg me bij hem. „Kijk”, wijst hij, „bergen!” Toen ik zelf zes was maakte ik mijn eerste grote treinreis, naar Zwitserland. ’s Morgens vroeg keek ik in de gang uit het raam. Mijn vader wees me de Lorelei en de Muizentoren, een kasteeltje op een eiland. Ik dacht dat het er leefde van de muizen maar zag ze niet.

De Apennijnen zonnebaden op een bed van nevels. Beekjes schuimen onder de rails door. Afgelegen hoeves, steile akkers tussen meidoorns. Een flard vogelzang, het onbewaakte klingelen van een overgang. En dan een grote stad. We kachelen door vuil. Overslagloodsen, autosloperijen, supermarkten, grauwe flats aan een rivier vol vuilnis. Wat een troosteloosheid. Firenze S.N. staat op de borden, Florence. We wachten een half uur en de vertraging loopt op tot drie kwartier. Om acht uur stappen we uit in Chiusi. Aan onze wagon hangen spreuken als: Ausgeruht reisen im Schlafzug. De Liegewagenschaffnerin zwaait niet terug. In een café aan het stationsplein maken espresso’s ons wakker.