Langs de Wolga (2): Vast in de modder

wegenkaart2.jpgDe tweede etappe van onze Wolga-reis voerde via Tver naar de industriestad Rybinsk. Aanvankelijk kostte het moeite de weg naar het Noorden te vinden, om de eenvoudige reden dat er vrijwel nergens in Tver een route werd aangegeven en Russische wegenatlassen niet in stedelijke details uitblinken. Het leek wel of het aantal oude, brakke wegen in de stad was verdubbeld. Maar dankzij de welwillendheid van enkele Russen lukte het na een uur toch de stad uit te komen.

Via een tweebaansweg door een glooiend en wijds landschap bereikten we in de loop van de middag Kaljazin, een stad die begin jaren veertig op last van Stalin deels onder water is gezet om de Wolga te verbreden en op die manier een waterkrachtcentrale bij Rybinsk te bedienen.

Vreemd was het om de Karl Marxstraat met zijn mooie, nu ruïneuze koopmanshuizen ineens in de rivier te zien vallen. Aan het ondergelopen eind van de straat steekt alleen nog een kerktoren uit het water omhoog, waar je met een bootje naartoe kunt varen.

Die kerktoren had allang verrot en ingestort moeten zijn, maar is na Stalins dood van nieuwe fundamenten voorzien, die het water weerstaan, waardoor de toren nu als monument dient. Opvallend is dat in het boekje over de geschiedenis van Kaljazin, dat ik in het lokale museumpje kocht, met geen woord over dit drama uit de Stalinjaren wordt gerept.

Net als Kaljazin zijn de meeste stadjes en dorpen langs de Wolga voor een groot deel vervallen en arm, omdat de meeste kolchozen failliet zijn en er amper werk is. Het rijke Moskou is er ver weg. Toch merk je die armoede niet aan de lokale bevolking, die over het algemeen hartelijk, gastvrij en ontspannen is. Alsof de rivier zijn oeverbewoners opener maakt voor vreemden die af en toe langs komen varen.

Op zo’n twintig kilometer voorbij Oeglitsj hield de weg ineens op. Bulldozers en stoomwalsen waren druk bezig een onverhard deel, dat langs een mooi datsjagebied voert, te asfalteren. Toen we aan de wegwerkers vroegen of we met onze afgejakkerde KIA-jeep verder konden rijden, knikten ze lachend van ja. Maar na een paar kilometer door de modder te hebben gereden, zakten we ineens in een diepe plas modder weg en zaten we vast. De auto was niet meer voor- of achteruit te krijgen.

Omdat ik als kind veel naar de televisieserie Daktari heb gekeken, dacht ik te weten hoe je uit zo’n modderpoel kunt komen: door takken onder de wielen te leggen. Maar niets lukte. Ook werden we zo langzamerhand opgegeten door de horzels.

Na een uur wachten kwam er een auto langs. De vriendelijke chauffeur vroeg onmiddellijk of hij ons kon helpen. ,,Hebben jullie een tros bij je?”, vroeg hij. Nee, dus. En daarom restte ons niets anders dan een van onze veiligheidsriemen op te offeren. Maar dit offer was tevergeefs, want de riem brak diverse keren en onze auto zakte steeds dieper in de modder weg. Onze potentiële redder wilde bij ons blijven, een mooi gebaar van solidariteit op de weg die je in Nederland niet zo snel tegenkomt. Maar we drongen er bij hem op aan door te rijden, omdat hij toch niets meer voor ons kon doen. ,,Menen jullie dat nu echt?” vroeg hij nog.

Weer een uur later kwam er een busje langs met een nog hulpvaardigere chauffeur, die bereid was een half uur om te rijden om thuis een tros te gaan halen. Maar toen hij met die tros terugkwam bleek zijn auto te zwak om onze jeep vlot te trekken.

Omdat we in de buurt waren van het dorp Oetsjma, waar onze vriendin Masja een datsja heeft, besloten we haar eens te bellen en om raad te vragen. Masja bleek helaas nog in Moskou te zijn. ,,Maar ik bel mijn buurman Vasja in het dorp wel even en vraag hem of hij jullie met de tractor uit de modder kan trekken”, zei ze.

Op de modderige bosweg werd het kil en vochtig. De horzels namen in aantal toe. En omdat we niet wisten of Masja’s Vasja ons echt zou komen verlossen, besloten we de auto achter te laten en onze tocht naar de bewoonde wereld te voet te vervolgen.

Na twee kilometer kwamen we bij een verlaten werkkamp van wegenbouwers. Voor een woonwagen zat alleen een Oezbeekse bewaker, Rasjid, die de graaf- en walsmachines in de gaten moest houden. ,,Ik zal wat thee voor jullie maken”, zei hij hartelijk, waarop hij ons in zijn huisje op wielen uitnodigde. ,,Als die tractor niet komt, kunnen jullie altijd hier slapen. Het is er veiliger dan in jullie auto, want er lopen beren rond in het bos die nog wel eens op voedseljacht gaan. Gisteren stond er nog een aan die bouwkeet daar te schudden.” Hij wees naar een metalen huisje zo’n dertig meter verderop.

Rasjid zette thee, bood ons zelfgemaakte cantarellensoep aan en vertelde trots over zijn vrouw en zes kinderen die hij in Oezbekistan had achtergelaten.

Toen we een eerste slok hadden genomen, klonk in de verte het geronk van een motor. ,,Daar is jullie tractor”, zei hij met een brede glimlach. En ja hoor, daar was Vasja. Masja had hem bereid gevonden naar ons toe te komen.

Een kwartier later was onze auto vlotgetrokken en konden we onze reis voortzetten. Inmiddels liep het tegen tienen. ,,Dank voor jullie bezoek”, zei Rasjid. ,,Nog meer dank voor uw gastvrijheid”, antwoordden wij.

In het halfduister reden we in de richting van Rybinsk over een prachtig stuk weg, dat geflankeerd werd door goed onderhouden datsja’s. De zon ging onder en zette de sprookjesachtig mooie Wolga in brand. Wat is het hier mooi, zeiden we tegen elkaar. En wat zijn die Wolga-Russen toch aardig.