Kom en zie mij eens zegevieren

Overwinningen werden in Rome groots gevierd. Krijgsgevangenen, overwonnen koningen, magistraten en familie van de triomfator trokken door de stad. De ‘triumphus’ in al zijn facetten.

Mary Beard: The Roman Triumph. The Belknap Press, 434 blz. € 34,70

Op 29 september in het jaar 61 voor Christus liep Rome uit voor een bijzondere manifestatie. Pompeius was de eer te beurt gevallen een triomftocht te houden, omdat hij de zeerovers uit de Middellandse Zee had gejaagd en de rijksgrenzen ver naar het oosten had verlegd. Deze onvergetelijke processie paste in de traditie van eerdere triumphi, maar was nog luisterrijker, nog meer vervuld van pracht en praal. De gelukkige legeraanvoerder reed in een vierspan vanaf het Marsveld door de Porta Triumphalis over het Forum Romanum en de Via Sacra naar het Capitool, in zijn wagen boven iedereen uittorenend. Zijn wangen waren roodgeverfd en hij ging gekleed als Jupiter in een purperen mantel, afgezet met gouden sterren. In zijn ene hand had hij een scepter, in de andere een lauriertak. Een slaafje hield een zware gouden kroon boven zijn hoofd en fluisterde hem, telkens als het gejuich van de toeschouwers aanzwol, in het oor: Respice post te! Hominem te esse memento! (‘Kijk achter je! Denk eraan dat je een mens bent!’).

De triomfator, omgeven door magistraten en senatoren, werd voorafgegaan door hoornblazers, de buit, de verslagen koning, de geketende krijgsgevangenen en in het oog vallende borden waarop zijn prestaties waren geschreven. De veldheer werd gevolgd door zijn verwanten en oudere kinderen. Achter zijn familieleden liepen de soldaten. Afwisselend zongen ze hymnen ter ere van Jupiter en liederen voor de triomfator. De ceremonie vond haar bekroning in de tempel van Jupiter. Hier bracht de veldheer met een offer zijn prestaties onder de aandacht van zijn medeburgers. Later werd de triumphus op een speciale lijst bijgeschreven, en daarmee waren de militaire prestaties en de statusverhoging van de triomfator vastgelegd voor het nageslacht.

Het is een goed idee geweest van Mary Beard, hoogleraar oude geschiedenis aan de Universiteit van Cambridge, om de betekenis van de triumphus, verankerd in het hart van de Romeinse samenleving, voor een groot publiek toegankelijk te maken. Er is de afgelopen decennia door geleerden wel veel over de verschillende facetten van de triomftocht geschreven, maar een studie die de verschillende aspecten in samenhang behandelt, ontbrak.

De nadruk in The Roman Triumph ligt op de late republiek en het Principaat (ca. 200 v. Chr. - 200 na Chr.). En dat heeft tot gevolg dat de oorsprong van de ceremonie minder uitputtend wordt behandeld. Of die nu gezocht wordt bij de goddelijke koningen van het vroege Rome, onder Griekse invloeden tot stand kwam of terugging op een festival dat via Etrurië vanuit het Nabije Oosten in Rome werd geïntroduceerd.

The Roman Triumph is een informatieve en goed leesbare verhandeling. Beard schrijft helder, soms zelfs humoristisch. Zij belicht de triumphus in de context van de competitieve Romeinse samenleving en reconstrueert het verschijnsel door vanuit verschillende invalshoeken vragen te stellen. Zij analyseert de onderlinge competitie van de leden van de elite, de toekenning van de triomf, het uiterlijke vertoon van de processie, de omvang van de buit, de aantallen slaven, de slachtofferrol van overwonnen vorsten, het ‘goddelijke optreden’ van de triomfator en de wijze waarop de gelukkige zijn triomftocht vastlegde in triomfbogen en reliëfs als een representatie van zijn macht.

Ook onvoorziene voorvallen tijdens dit soort tochten worden onderzocht. Zo vraagt Beard zich af welke bijgelovige gedachten de breuk van de as onder de wagen van Caesar bij hem heeft opgeroepen en probeert zij zich te verplaatsen in een triomfator die tijdens de processie tot zijn teleurstelling moest constateren dat exotische krijgsgevangenen meer dan hij de show stalen.

Een groot aantal van de door Orosius (4de eeuw) genoemde 320 triomfators passeert de revue, niet in chronologische volgorde, maar steeds in het kader van een andere thematiek. De lezer kan aan het einde van het boek begrijpen dat Romeinse generaals, aan wie een officiële triomf door de senaat was geweigerd, omdat hun overwinningen niet indrukwekkend genoeg werden bevonden, hun eer wilden redden en op eigen kosten in Alba Longa een privé -triomftocht organiseerden.

Beard laat mooi doorschemeren dat niet iedereen even blij was met het fenomeen triomf. Er waren in het oude Rome mensen die deze ceremonie beschouwden als de officiële legitimatie van roof en plundering op grote schaal. Maar tegenstanders als de filosoof-politicus Seneca waren in de minderheid, hun protesten legden het af tegen het enthousiasme van de overgrote meerderheid van de elite die de triomftocht beschouwde als een wezenlijk deel van de Romeinse cultuur, onlosmakelijk verbonden met de macht van Rome.

Het idee van de triomftocht is niet met de ondergang van het Romeinse rijk verloren gegaan. Latere machthebbers, ook nog in de 20ste eeuw, hebben de triomf gekoesterd als een uitgelezen middel om samen met het volk hun overwinningen te vieren. Zelfs heersers van wie je niet zou verwachten dat ze hun inspiratie vonden in de klassieke oudheid hebben zich er aan overgegeven. Ras Tafari, de latere keizer Haile Selassi, organiseerde in 1916 in Abessinië een triomftocht ter gelegenheid van zijn overwinning op de rebel Negus Mikael. Een ooggetuige heeft later opgetekend dat het was of hier een Romeinse veldheer zijn triomf vierde. De overwinnaar op zijn wagen, de soldaten, de buit en de overwonnenen, alles deed hem denken aan de triumphus van weleer. Het oude Rome was voor hem dichtbij.