Johan Bruyneel

Morgen, bij de individuele tijdrit over 53 kilometer van Cérilly naar Saint-Amand-Montrond, zou Johan Bruyneel ongetwijfeld vanaf de vroege ochtend nauwgezet het vooraf uitgekiende protocol afwerken om de Tourzege van zijn kopman veilig te stellen. Zoals hij in dezelfde finishplaats Lance Armstrong in de slottijdrit van 2001 naar zijn derde van zeven eindzeges leidde. „Het kleinste kransje achter is nog schoon”, pochte de Belgische ploegleider na afloop. Armstrong had zijn grootste versnelling niet eens gebruikt.

Johan Bruyneel (Izegem, 23 augustus 1964) was een mooie, stijlvolle renner. Paste perfect bij de Once-ploeg van Manolo Saiz, met andere stylisten als Laurent Jalabert, Erik Breukink en Alex Zulle. Hij won in 1993 een Tourrit naar Amiens en twee jaar later naar Luik, toen hij Miguel Indurain voorbleef. Ook memorabel: zijn val in het ravijn in de Ronde van 1996, toen hij voor Rabo uitkwam. De toenmalige topman Herman Wijffels trok de Belg persoonlijk uit de afgrond.

In 1998 vroeg Lance Armstrong hem als ploegleider. Bruyneel overtuigde de Amerikaan alles op de Tour te zetten en een kleine versnelling te kiezen in de bergen. Samen ontwikkelden ze in de belangrijkste wielerwedstrijd van het jaar een niveau dat daarna nooit meer is gehaald. Na zeven zeges met Armstrong won Bruyneel vorig jaar opnieuw met de Spanjaard Alberto Contador, nadat geletruidrager Michael Rasmussen uit de Tour was gezet.

Dit jaar vertrok Bruyneel met een aantal toprenners van het gestopte Discovery naar Astana. Officieel wegens dope-incidenten mag de Kazachstaanse ploeg dit jaar niet meedoen aan de Tour. De beslissing lijkt ook een afrekening met Bruyneel, de ploegleider die de Tour acht keer naar zijn hand zette.

Maarten Scholten