Indiase minister ster van Doha

De ‘arme’ landen hebben in de Doha-ronde voor een wereldhandelsakkoord in India’s Kamal Nath een steronderhandelaar. EU-commissaris Mendelson: ‘stemmingmakerij.’

In de wereld van handelsministers is Kamal Nath als een rockster. Er hangt opwinding in de lucht als hij verschijnt. „Het gerucht gaat dat Kamal Nath weer in Genève is gearriveerd”, noteerde eurocommissaris Peter Mandelson bijvoorbeeld woensdag op zijn blog over de lopende onderhandelingen voor een nieuw handelsakkoord.

Nath is de Indiase minister van Handel en wellicht de moeilijkste opponent voor de rijke landen in de onderhandelingen, zeggen meerdere diplomaten in de wandelgangen van het WTO-gebouw aan de oever van het Meer van Genève. Hij is in ieder geval de personificatie van de zelfbewuste, opkomende economieën waar rijke landen continue tegen opbotsen. En hij zorgt voor een niet-aflatende stroom bruikbare soundbites.

„Ik ben bereid te onderhandelen over commercie, niet over armoe”, zei Nath na aankomst in Genève. „Arme boeren moeten worden beschermd. Wij praten over het beschermen van de middelen van bestaan van onze bevolking, de rijken praten alleen over het beschermen van hun welvaart.”

Toevallig of niet, later op die zelfde dag echode staatssecretaris Heemskerk deze positie: „Nath heeft gezegd: voor veel mensen in India is een paar dollar een kwestie van overleven, en daar heeft hij natuurlijk gelijk in.” Het is lastig onderhandelen als je de oppositie deels gelijk moet geven.

Nath doet zijn reputatie eer aan door na zijn aankomst in de vergadering onmiddellijk de aanval te kiezen, zo vervolgde Mandelson zijn blog. Volgens hem klopte de argumentatie van Nath echter niet. „Nath bespeelt het publiek”, concludeerde de commissaris.

Er steekt echter meer achter de positie van Nath dan het bespelen van media. Hij richt zijn pijlen op de subsidies voor boeren in het rijke westen. Zijn eigen kiezers moeten met die gesubsidieerde boeren concurreren. Sinds 1980 vertegenwoordigt hij in het Indiase parlement onafgebroken een kiesdistrict in Madhya Pradesh dat veel katoenboeren telt.

„Nath is een goede politicus, iemand die resultaten boekt voor zijn kiezers”, zegt T.S. Vishwanath van de Indiase industrielobby CII in de wandelgangen in Genève, „anders was hij nooit zo vaak herkozen.” Hij is tevreden met de manier waarop Nath de belangen van de Indiase industrie behartigt.

„Subsidies zijn het echte probleem”, laat Nath niet na te herhalen. Niet de verdere opening van landen als India voor industrieproducten, die het Westen eist in ruil voor reductie van landbouwsubsidies. De import uit landen als Duitsland of de VS groeit nu al hard, verkondigt Nath in Genève. Dat India zijn grenzen nog verder zou moeten openen is „grappig”, want „wat ze eigenlijk vragen is: hoeveel hebben jullie er voor over als wij stoppen met het doen van iets dat we om te beginnen helemaal niet zouden moeten doen?”

Nath gaat nog een stapje verder. In zijn visie is de eis van de industrielanden dat India zijn markten opent vooral ingegeven door de angst dat de industrie in het westen op haar laatste benen loopt. „De industrie in ontwikkelingslanden wint aan concurrentiekracht terwijl de rijke landen concurrentiekracht verliezen”, stelt Nath. „Om de rijken te beschermen kunnen we toch niet de ontwikkelingslanden opofferen?”

Bovendien: „In de toekomst worden auto’s sowieso niet meer gemaakt in Stuttgart of Detroit, maar in Azië.” Het Westen moet zelf maar een oplossing vinden voor de eigen problemen. Nath zal er geen traan om laten. „Dit is een onderhandelingsronde waarin [de rijken] moeten geven, niet nemen. Op basis van wat ik krijg, zal ik besluiten wat ik geef.” Het bereiken van een resultaat in Genève is dus geheel afhankelijk van de vraag hoever de industrielanden met hun billen bloot willen. Kamal Nath wacht af en kijkt toe.