‘Ik ben een sloper die nieuwe dingen maakt’

Joke van Leeuwen staat bekend als schrijfster van kinderboeken, maar ze doet veel meer. Ze is ook dichter, beeldend kunstenaar en theatermaker. In haar nieuwe boek ‘Een halve hond heel denken’ gaf ze persfoto’s, reclame en andere beelden een nieuw bijschrift, dat een nieuw licht kan werpen op een tafereel – wat bij de kijker regelmatig een Aha-erlebnis oproept. Dat fenomeen is het bindende element in alles wat Van Leeuwen doet. „Ik hoop dat de lezer zich gaat afvragen waar hij misleid wordt, welke geheime boodschappen er zijn,’’ zegt de huidige stadsdichter van Antwerpen.

Joke van Leeuwen verzamelt beelden, die ze vindt in kranten, tijdschriften en boeken. Zoals een horlogereclame met een romantisch stelletje, een persfoto van Poe- tin tijdens Europees topoverleg en een schilderij van Napoleon.

Deze afbeeldingen staan nu – met vele andere – in haar onlangs verschenen boek Een halve hond heel denken. Zoals de ondertitel al aangeeft, gaat het boek over ‘kijken’, of liever: over de manier waarop de wereld wordt getoond. Van Leeuwen laat plaatjes zien en legt dan van alles uit over verborgen boodschappen, symbolen, perspectieflijnen, bedrogen ogen, schoonheidsidealen en de gulden snede.

Neem de reclamefoto, met twee beeldschone mensen. Hun horloges lopen niet gelijk. Hoe laat het is, doet er dus niet toe, constateert Van Leeuwen. Het gaat om de suggestie van schoonheid en rijkdom. Het ene horloge staat alleen op 10 over 10, omdat de wijzers dan mooi staan.

Bij Poetin heeft Van Leeuwen een nieuw fotobijschrift gemaakt. Poetin is niet langer ‘ietwat verloren’, maar hij is een contactlens kwijt. Zelfde foto, nieuwe betekenis. Bij Napoleon blijkt het verdwijnpunt precies in zijn kruis te zitten. En zo weet Van Leeuwen de blik van de lezer te ontregelen. Alsof je jaren over dezelfde trap hebt gelopen en je je plotseling bewust wordt van de treden.

Dat is ook de bedoeling, vertelt Joke van Leeuwen in haar herenhuis in Antwerpen. „We worden voortdurend geprikkeld door wat we zien. Daarom wil ik tonen hoe beelden in elkaar zitten. Ik hoop dat de lezer zich gaat afvragen waar hij misleid wordt, welke geheime boodschappen er zijn.” Ze wijst op een pak koffiemelk met een landelijk tafereel. „Dit ziet er idyllisch uit, maar komt ongetwijfeld uit een of andere lelijke fabriek. Door dit soort dingen te signaleren, hoop ik een Aha-erlebnis te bewerkstelligen.”

Die Aha-erlebnis is het bindende element in alles wat Van Leeuwen doet – en dat is heel veel en heel verschillend. Van Leeuwen is schrijver van kinderboeken, dichter, beeldend kunstenaar en theatermaker. Ze werkt nu aan een roman voor volwassenen waarin ook beelden voorkomen – „geen graphic novel”. Onlangs voltooide zij een theatertournee en stelde zij samen met ontwerper Bob Takes op basis van Een halve hond een kijkroute samen voor het Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen. Sinds kort is de van oorsprong Nederlandse Van Leeuwen stadsdichter van Antwerpen.

Wie haar oeuvre leest, ziet hoe net als in het nieuwe kijkboek de zekerheid van het alledaagse wordt ondermijnd – vaak met een zeker absurdisme. Een voorbeeld daarvan is De metro van Magnus (1981), een vroeg werk waarin Van Leeuwen volop experimenteerde met de afwisseling van tekst en tekeningen. Een simpele kindertekening van een metrokaart komt daarin plotseling tot leven. Namen van metrostations ontstaan uit straatnaamborden en reclamekreten: De Ongekende Voordee-laan en het Onbekende Soldaatplein.

Elders worden uitdrukkingen uit elkaar geschroefd door ze letterlijk te nemen. In Deesje (1985) verkoopt een dame reizen naar de zon. ‘Die mevrouw liegt, dacht ze even. Je kunt niet reizen naar de zon.’ Door haar voortdurende ‘deconstructie’ van taal en beelden lijkt Van Leeuwen op de vader in Slopie, specialist in ‘amoveren’.

Bent u ook een sloper?

„Ik ontdoe dingen van het vanzelfsprekende, door er op een andere manier naar te kijken. In die zin ben ik een sloper. Maar daarna construeer ik weer nieuwe dingen.”

Maar waarom moet er eerst worden gesloopt?

„De dwingendheid van de beelden is in deze tijd wel heel sterk en de vorm is in de reclame vaak stuitend. Het vrouwelijk lichaam wordt op een opdringerige manier gebruikt. Zo hing hier in Antwerpen een reclame voor een of ander smeerseltje. Je zag een blote vrouw die in haar heupen de afdrukken van matrasnoppen had. Smerig. De beeldcultuur is zo dominant.”

In de Middeleeuwen was de beeldcultuur toch ook enorm sterk?

„Zeker. Toen was er ook een instituut, de kerk, dat de beelden op een bepaalde manier presenteerde, zoals de markt dat nu doet. Dat is ook wat ik heb laten zien op die tentoonstelling in Antwerpen. In een elektronische kijkdoos zag je een reclame met prachtige mensen die zich bovenin het beeld bevinden, naast een schilderij met mensen die God aanbidden met bovenin een hemel met engelen. De beelden hebben dezelfde opbouw; alleen was de boodschap toen religieus en nu economisch – en beide onontkoombaar.”

Is uw manier van kijken ook een reflex?

„De neiging om de gewone dingen opnieuw te zien, zit er wel in, al sinds mijn kindertijd. Ik kan me ook herinneren dat ik in bed lag en nadacht over hoe het bed in huis stond, het huis in de stad, de stad in het land, het lang in de wereld, de aarde in het heelal. Die oneindigheid maakte me bang. Oeverloosheid kan zo beklemmend zijn.

„De neiging alles te zien alsof het nieuw is, is versterkt toen ik als dertienjarige naar België verhuisde. Al het gewone kwam op losse schroeven te staan. Plotseling realiseerde ik me dat veel dingen typisch Hollands waren, zoals de manier waarop kinderfeestjes worden gevierd.” Van Leeuwen schreef over het kinderpartijtje een heel geestig verhaal, waarin een buitenlander zijn verbazing uit in een ‘Perzische brief’ aan zijn koning. „Zo’n verhuizing relativeert de vanzelfsprekendheid van alles enorm.”

Is die relativering een reden om kinderboeken te maken?

„In elk geval een bepaald soort kinderboek. Jonge kinderen overstijgen uit zichzelf clichés, doordat ze de ‘juiste’ woorden niet kennen. ‘Er zit een hekje in een vis’, dat soort dingen. Per ongeluk bedenken ze prachtige woorden. Die frisse blik wil ik ook behouden, maar dan op een volwassen en bewuste manier. De Duitse filosoof Peter Sloterdijk heeft in Kritiek van de cynische rede geschreven dat een filosoof kinderlijke vragen moet stellen. Want zo bevraag je het schijnbaar vanzelfsprekende.”

Zoals de vraag of vogels een gezicht hebben in ‘Iep’?

„Inderdaad. Kinderen kunnen een gezicht zien bij een vogel, doordat ze geen besef hebben van de hiërarchie, van de gangbare opvatting dat dieren een kop hebben en mensen een gezicht. Het schrijven van een kinderboek is zo voor mij een manier om de wereld van onderaf te bekijken, zoals cabaret mij de mogelijkheid biedt om de wereld van de zijkant te zien. De blik van onderaf heeft ook een humoristisch effect. Met vrolijkheid worden dingen onderuit geschoffeld. Mijn werk ligt soms tegen het groteske aan.”

Dat is zacht uitgedrukt. Het verhaal over de woorden die kwijt zijn is toch heel absurdistisch?

„Ja, maar je moet wel bedenken dat ik dit oorspronkelijk heb geschreven voor het theater. Ik bedacht de geluiden die in plaats van de woorden kwamen. Op het podium kun je niet-bestaande klanken laten horen, in een boek kan dat niet. Dat heb ik opgelost door geluiden te tekenen. Klanken spelen sowieso een grote rol in mijn optredens; ik laat kinderen ook wel eens met hun handen op de keel het verschil tussen de ‘s’ en de ‘z’ voelen. En als het ze dat hebben gedaan, doe ik een Amsterdams versje waarin elke ‘z’ natuurlijk als een ‘s’ wordt uitgesproken.”

Van Leeuwen lacht even uitbundig. Even maar. Dan slaat ze haar ogen weer neer en kijkt aandachtig naar het tafelblad, alsof ze geconcentreerd wacht op de volgende vraag.

Bent u verlegen?

„Verlegenheid is een wel deel van mij, vooral als mensen tegen mij verlegen doen. Op het podium heb ik er geen last van, dan speel ik met het publiek. Ik doe dan met de hele zaal bijvoorbeeld een inburgeringscursus.”

Door uw affiniteit met het theater en uw veelzijdigheid wordt u wel vergeleken met Annie M.G. Schmidt. Zit daar wat in?

,,Ja en nee. Hoe we tegen de wereld aankijken komt wel overeen: beetje anarchistisch, met veel vrijheidsdrang. Maar ik ben kinderboeken gaan maken om woorden en beelden te laten samenvloeien. En bij mij zijn er geen sprekende dieren. Ik houd mijn personages met twee benen in de werkelijkheid, die ik een slagje bijdraai.”

Maar in ‘Iep’ is de hoofdpersoon Viegeltje zowel vogel als mens. Die dubbelzinnigheid dwingt de lezer na te denken over de vraag wat een mens tot mens maakt.

„Eeeeh, voor mij is Viegeltje een wezen dat zo bijzonder is dat iedereen erin kan zien wat hij nodig heeft. Ze is tegelijkertijd heel autonoom, vliegt altijd weer weg. Het boek gaat ook over afscheid.”

‘Iep’ begint met een landschap dat uit drie lijnen bestaat. Wilt u daarmee laten zien dat je met weinig veel kan suggereren?

„De lijnen zijn vooral bedoeld om duidelijk te maken: je treedt nu fictie binnen, hier begint de verbeelding. Wat je ziet is trouwens het Limburgs landschap. Ik woonde toen in Kerkrade.”

Van Leeuwen mijmert over een Escherhuis zoals in Deesje, een soort pretpark waarin de ‘onmogelijke’ prenten van Escher tot leven komen: „Het is te proberen. Die kubussen uitvouwen tot vlakken, dat kan makkelijk. Die andere onmogelijke afbeeldingen zou je kunnen projecteren.” Over het wonen in België: „Ik voel me een echte Nederbelg. Ik ben al lang opgehouden om alles te vergelijken met Nederland.” Plotseling zegt ze: „Er is sinds ongeveer 2000 wel veel culturele vervlakking gekomen.”

Staat de cultuur onder druk?

„Ja, dat denk ik wel, door de dominantie van de markt. Alles wordt ingevuld, de tijd wordt ingevuld, de verbeelding wordt ingevuld. Alles is gericht op verstrooiing, precies het tegenovergestelde van concentratie – het opgaan in het moment, wat iets heerlijks is.”

Wat merkt u er zelf van?

„Vroeger werden bijvoorbeeld Guus Kuijer en ik genomineerd voor de kinderjury, dat gebeurt tegenwoordig niet meer met schrijvers zoals wij. Ons is ook verweten dat we elitair zouden zijn. Elitair? Laat mensen die dat zeggen maar eens met mij meegaan als ik heel gewone kinderen heel basaal probeer te enthousiasmeren. Maar door die anti-elitaire sfeer voel ik me echt pootje gehaakt. Annie Schmidt was eigenzinnig en populair, die combinatie is nu veel moeilijker.”

In ‘Slopie’ (2003) doet de hoofdpersoon haar best een tv-kwis te winnen. Is dat uw commentaar op de ‘celebritry’-cultus van nu?

„Er heerst een ziekelijke hang naar roem. Het gaat niet meer om meesterschap, maar om beroemd zijn. De winnaar van Idols krijgt de hoofdrol in een musical, terwijl de meer getalenteerde de bijrol krijgt. Als ik tegenwoordig kinderen vraag ‘wat wil je worden?’, zeggen ze vaak: ‘Beroemd’. Beroemd, waarmee dat doet er niet toe.”

Tegelijkertijd probeert u als stadsdichter toch ook de hoge cultuur uit de ivoren toren te halen?

„Ja, achter het Centraal Station in Antwerpen staan hoge nieuwe gebouwen, waar de buurtbewoners veel bezwaren tegen hadden. Daar heb ik een 16 meter lang handgeschreven gedicht op de ruit laten plakken. Mijn eerste stadsgedicht was een woordanimatie, ook vormgegeven door Bob Takes, die op verschillende plaatsen in Antwerpen werd geprojecteerd. Dit soort technieken blijf ik onderzoeken. Ik wil alle elektronische en digitale mogelijkheden benutten om gedichten in de stad te brengen.”

Moet dat ook gebeuren met poëzie in het algemeen?

„Zeker, de idee dat poëzie een aparte wereld is, moet verder worden ontkracht. Poëzie wordt soms nog te veel geassocieerd met hoogdravend gepraat, met verheven gebaren. Er zijn andere vormen mogelijk, met taal die niet eenduidig is, maar ook niet onbegrijpelijk.”

Uw afkeer van hoogdravendheid blijkt ook uit het verhaal ‘Brief aan de echte Sinterklaas’, waarin de briefschrijver opgelucht een elastiekje ontdekt achter de baard van Sint. Vindt u nog vaak elastiekjes?

„Op mijn middelbare school in Brussel was de directeur heel erg autoritair. Op een dag was er een herfstblaadje in zijn haardos gedwarreld. Dat blaadje draaide het beeld in één keer om. Dat blaadje was zijn elastiekje. Dat relativeerde zijn autoriteit. Sindsdien zie ik bij elke gezagsdrager wel een elastiekje.”