Eindelijk mijn eigen theater

De grote toneelgroepen in Maastricht, Groningen en Arnhem krijgen een nieuwe artistieke leiding. Het publiek zal moeten wennen aan de veranderingen.

‘Ko, wij staan al in het telefoonboek!” roept regisseuse Ola Mafaalani verheugd naar haar man. Zij is vrijdag teruggekomen van vakantie in haar geboorteland Syrië en is diezelfde dag nog verhuisd, van Amsterdam naar Groningen. Daar gaat zij vanaf 1 januari het Noord Nederlands Toneel leiden. Nu, enkele dagen later, zit zij tussen de bruine dozen, en zojuist heeft voor het eerst haar Groningse telefoon gerinkeld. Het is de man van de krant, die wil weten wat ze gaat doen in het Noorden.

Mafaalani is niet de enige tonelist die de komende maanden vanuit de Randstad richting de oostgrens verhuisd. Ook twee andere grote regionale gezelschappen, Het Vervolg in Maastricht en Oostpool in Arnhem, krijgen een nieuwe artistiek leider. En ook zij nemen een hele stroom eigen mensen mee. Tegelijkertijd komt er ook weer een stroom acteurs terug naar het westen van het land; mensen die aan de vertrekkende artistiek leider hingen, en die nu heengezonden worden.

Nieuwe leiders willen iets nieuws neerzetten en dus nemen ze niet teveel van de voorganger over. Zo blijven de gezelschappen in naam hetzelfde, maar verandert verder bijna alles: de gezichten op het podium, het repertoire, de speelstijl, de vormgeving.

Vanaf 2009 behoren de drie grote regiogezelschappen (net als vijf andere gezelschappen) tot de basisinfrastructuur. Dat betekent dat ze, anders dan andere toneelgroepen, rechtstreeks door de minister van Cultuur worden gesubsidieerd. Het idee hierachter is dat deze grote gezelschappen van blijvende waarde zijn, en continuïteit in het theater waarborgen.

Het Nederlandse theater is rijk, divers en vooruitstrevend, met vele tientallen groepjes die hun eigen publiekjes bedienen, en die komen en gaan. Om het theater voor het publiek wat herkenbaarder te maken, moeten de stads- en regiogezelschappen vastigheid bieden. Het moeten instituten worden, stevig geworteld in de stad en de regio, die ervoor zorgen dat het toneelrepertoire wordt gebracht. Het bestaansrecht moet niet afhangen van de artistiek leider van het moment. Simpelweg omdat er nu eenmaal altijd vaste toneelgroepen moeten zijn, zo vindt het rijk, juist ook in de provincie, waar een bloeiende theatercultuur niet zo vanzelfsprekend is als in de Randstad.

Maar na een rondgang langs de aantredende artistiek leiders blijkt dat zij aan die continuïteit in de regio een geheel eigen invulling geven.

„Hier heb ik altijd van gedroomd, een eigen theater”, zegt Ola Mafaalani. „En het mooie is: ik hoef nog niet te weten wat ik er ga doen.” Haar nieuwe gezelschap, het Noord Nederlands Toneel, heeft een eigen, klein theater: de Machinefabriek. Net als haar voorganger Koos Terpstra wil ze hier flexibel programmeren, met snel wisselende voorstellingen. Voor dit doel komt er één, eenvoudig aan te passen decor: „Vergelijk het met Lego.” Haar echtgenoot, regisseur, dramaschrijver en acteur Ko van den Bosch, gaat de Machinefabriek leiden. Hij opent in maart met een zelfgeschreven musical.

Zelf concentreert Mafaalani zich op de schouwburg. Het Noord Nederlands Toneel wordt huisgezelschap van de Groningse schouwburg, en brengt daar om te beginnen de Griekse tragedie Medea uit, met een flamencodanseres, nieuwslezer Noraly Beyer, en Malou Gorter als de moorddadige moeder. Daarna volgen een bewerking van Dante’s Divina Commedia, met een Amerikaanse trapezewerkster, en een halfbloed Othello, met Van den Bosch als de jaloerse Moorse generaal.

Ze neemt om te beginnen vijf mensen mee naar Groningen: naast Van den Bosch en Gorter komen ook decorontwerper André Joosten en acteurs Merijn de Jong en Peter Vandemeulebroeke. Uiteindelijk wil zij een ensemble van tien man. Mafaalani: „Ik zou ook graag nieuwe regisseurs uitnodigen om hierheen te komen: Merel de Jong, Bram Schutte en Jakop Ahlbom. Maar daar heb ik helaas niet genoeg subsidie voor gekregen. Geef mij het budget, en ik zorg voor doorstroming.”

In het idee van haar voorganger om nieuwe voorstellingen eerst uit te proberen in de Machinefabriek, om ze bij gebleken succes op tournee langs de schouwburgen te laten gaan, ziet Mafaalani niets. „Mijn voorstellingen kun je niet straffeloos overzetten van de kleine naar de grote zaal. Ik heb dat ooit geprobeerd met Ten Liefde, en alle intimiteit ging verloren.”

Voorganger Koos Terpstra maakt politiek, neo-Brechtiaans toneel met een cabareteske inslag. Zijn brutale aanpak en de wijze waarop hij een vrolijke Gideonsbende van het gezelschap maakte, oogstte waardering, maar zijn voorstellingen overstegen zelden een zeker niveau. Mafaalani maakt ook politiek toneel, maar zij oogst veel meer waardering met haar grootse, volle, multidisciplinaire, op de emotie spelende totaaltheater. Ook als ze miskleunt, wat nog wel eens gebeurt, blijft het interessant.

Rob Klinkenberg, de niet-regisserende

nieuwe leider van Arnhemse Toneelgroep Oostpool, belichaamt zelf de continuïteit bij zijn gezelschap; hij was onder de vorige leiding de huisdramaturg. Hij had de droeve taak om de twee resterende vaste acteurs te ontslaan. In plaats daarvan komen er twee vaste regisseurs naar Arnhem, Marcus Azzini en Erik Whien, en zeven nieuwe acteurs, onder wie Maria Kraakman, Sanne den Hartogh en Ali Ben Horsting. Klinkenbergs voorganger, Rob Ligthert, speelde vooral nieuwe toneelstukken van scheidend huisschrijver Peer Wittenbols, maar die zal niet langer op het repertoire staan. In plaats daarvan opent het nieuwe Oostpool met de eigen montagevoorstelling Wat het lichaam niet vergeet, over het lichaam als verstelbaar kledingstuk (actrice Maria Kraakman poseerde hiervoor met afgeplakt oog, te zien op de cover). Verder spelen zij twee klassiekers: Zomergasten van Maxim Gorki en Midzomernachtsdroom van Shakespeare.

Hoewel Klinkenberg ook in het voorgaande artistieke team zat, wordt het volgens hem toch heel anders: „De stukken van Wittenbols en Ligthert waren op de huiskamer van de middenklasse gericht: veertigers met familieproblemen. De nieuwe regisseurs kijken naar buiten: de grote problemen. Verder hadden Ligthert en Wittenbols een voorkeur voor tekst en psychologie. Azzini en Whien hebben een breder palet, met veel aandacht voor aankleding en beweging.”

Het driemanschap wil het gezelschap een ‘jonge en transparante uitstraling’ geven. Klinkenberg: „Met transparant bedoel ik dat het publiek aan een voorstelling kan zien hoe ze gemaakt is. De lasnaden moeten zichtbaar zijn. We willen dat de acteurs hardop nadenken, en dat de publiek mee kan denken. Wij willen omarmend spelen; de spelers proberen voor de duur van de avond een gemeenschap te vormen met het publiek. Met jong bedoel ik: er moet ‘rubber op het asfalt achterblijven’, zoals Erik Whien zegt. Als je naar buiten loopt, moet je haar net effe anders zitten.”

Arie de Mol, de nieuwe baas van Het Vervolg, wilde juist wel zorgvuldig omspringen met de continuïteit bij het gezelschap. Hij wilde het gezelschap gaan leiden samen met zittend artistiek leider Hans Trentelman, zodat het trouwe Maastrichtse publiek niet teveel zou schrikken van het nieuwe gezicht. De Raad voor Cultuur, adviesorgaan van de minister en bewaker van de continuïteit in de kunsten, wilde echter dat De Mol het alleen zou doen. Dus wordt De Mol nu in zijn eentje de baas. Trentelman blijft aan, als acteur en regisseur.

De Mol: „Mij leek het handig om een overgangsperiode te hebben. Trentelman kent iedereen in Maastricht, dus die kan me mooi bij iedereen introduceren. Maar dat ik het alleen ga doen, is ook wel zo helder. In feite ga ik door met mijn gezelschap Els Inc., maar dan elders, en op grotere schaal.” Opmerkelijk is dat De Mol als enige van de nieuwe leiders de drie vast acteurs handhaaft: naast Trentelman oudgedienden Hans van Leipzig en Mieneke Bakker. De Mol: „Het Maastrichtse publiek houdt van hen, ze belichamen de band met het publiek. Die band wil ik graag behouden.”

Net als Klinkenberg en Mafaalani gaat De Mol sociaal geëngageerd theater maken over maatschappelijke problemen. Omdat De Mol in een laat stadium bij Het Vervolg werd gehaald, is zijn stempel pas merkbaar vanaf de herfst van volgend jaar. De voorstellingen voor komend seizoen lagen al vast, daar zit geen regie van hem tussen. Hij wil De vijand van het volk gaan doen, een klassieker van Ibsen, en The Snapper, Iers kitchen sink drama van Roddy Doyle.

Het Vervolg is nu een wat bedaagde, middelmatige groep, met soms verrassende gastregies. Trentelman behoort niet tot de grote regisseurs van Nederland. De Mol misschien ook niet, maar hij weet wel te raken met zijn enerverende, sociaal bewogen werk: „Wat stijl betreft wil ik hier doen wat ik bij Els Inc. al doe: sterk uitvergroot spel, fysiek spel. met het lijf, niet met het hoofd. Verder hou ik van veel spelers op het toneel, minimaal acht; ze moeten een miniatuur samenleving laten zien. Ik hou er graag een enorme vaart in, en er moet in gezongen worden.”

Over het type acteurs wat hij wil engageren, zegt hij: „Ik hoef geen grote sterren. Dat iemand goed kan spelen zegt me niets. Ik heb toegewijde groepsspelers nodig. Hopelijk wordt het een swingende club.”

Deze omslag bij de wisseling

van artistiek leiders is niet iets nieuws, zo gaat het altijd. Het frisse elan waarmee de nieuwe artistiek leiders alles nieuw willen maken, werkt aanstekelijk. Maar op deze wijze moet de band met het publiek iedere keer opnieuw opgebouwd worden. En publiek winnen en vasthouden was nu juist een van de doelen van de Basisinfrastructuur. Mafaalani: „Daar maak ik me geen zorgen over. Het gezelschap heeft mij juist gevraagd omdat mijn werk zo verwant is met Koos Terpstra. Onze bron, woede over de sloopkracht van het kapitalisme, is hetzelfde. Dat is de continuïteit die het publiek zal herkennen. Goed, ik heb niets met cabaret, en ik werk niet erg op de lach, maar ik leen ook graag van andere disciplines. In mijn voorstelligen zitten geen cabaretiers, maar wel tangodansers, trapezewerkers, operazangeressen en Noraly Beyer. En er zit altijd een gangmakers in met een vrije rol, die het publiek bij de voorstelling betrekt en ze erdoorheen gidst.”

In weerwil van zijn eigen drang om Oostpool een extreme make-over te geven, zegt Klinkenberg van Oostpool: „De subsidiegevers zeiden decennialang tegen theatermakers: ‘Doe maar. Als het maar vernieuwend is’. Daardoor is er een enorme vrijheid ontstaan, en een kleurrijk en veelzijdig theater. Maar er is een ongelooflijk gebrek aan traditie, waardoor theatermakers steeds opnieuw het wiel uitvinden. Voor het onderhouden van de traditie heb je overigens ondersteuning van het onderwijs en de staat nodig, die dat belangrijk moeten vinden. Kijk maar naar Duitsland of Frankrijk. Als die traditie er niet is, dan kun je als gezelschap ook niet in die traditie werken.”

Eigenlijk is het idee dat er altijd grote vaste theatergezelschappen netjes verdeeld over het land moet zijn, ongeacht de grillen van artistiek leiders en subsidiegevers, ook niet nieuw. Deze verdeling is vanaf 2009 geïnstitutionaliseerd, maar de grote groepen bestaan, in steeds wisselende gedaantes, al vele jaren. Of ze nu goed of slecht functioneren; het rijk zorgt er allang voor dat bijvoorbeeld Arnhem niet opeens zonder toneel zit.

Over de nieuwe Basisinfrastructuur zegt De Mol van Het Vervolg: „Mooi plan, brede steun in het theater, maar zonder extra geld is het een doodgeboren kindje. Zoals het er nu voorstaat komt het neer op: of het bestaat al, of het is niet haalbaar. Wij kunnen niet voor continuïteit en doorstroming zorgen als we net genoeg geld krijgen om te overleven.”

Mafaalani: „Vergeet niet dat de technici en de kantoormensen blijven zitten. Dat zorgt al voor veel continuïteit. Trouwens, de enige continuïteit die telt is dat er aanhoudend mooie voorstellingen worden gemaakt. En dat wij het repertoire levend houden bij de samenleving. De rest is wol.”