Een onbereikbare vader en een zoon die aandacht wil

Hans Croiset: Badhuisweg. Cossee. 349 blz. € 22,90.

Toneelspeler en regisseur Hans Croiset leidde in zijn lange loopbaan zes grote toneelgezelschappen, waarvan hij er drie zelf oprichtte. Hij was een belangrijke theatervernieuwer lang vóór Aktie Tomaat – de theaterrevolutie van 1969 – en daarna een belangrijke bruggenbouwer. Hij ijverde decennialang voor het blijven spelen van de klassieken, voor een breed publiek, ook in de moeilijke jaren zeventig, toen ‘schouwburg’ een vies woord was geworden. Vrijwel in zijn eentje hield hij de Vondel-traditie overeind, hij regisseerde mijlpalen in de toneelgeschiedenis en hij speelde vele belangrijke rollen. Hans Croiset is dus een monument in het Nederlandse theater. Toch noemt hij zijn beroepskeuze een fatale keuze, die hem heeft gemaakt tot een eeuwige onzekere puber. Dat komt door zijn vader, toneelspeler Max Croiset.

Zijn memoires, Badhuisweg, draaien om die slechte relatie. Zijn hele leven en werk is één grote smeekbede om liefde en erkenning van de vader, die hem steeds weer van zich aftrapte en geselde met kritiek. Croiset beschrijft zijn toneelleven in vogelvlucht, met extra aandacht voor de verschillende versies van Koning Lear waaraan hij meewerkte.

Hoewel Croiset niet zegt te geloven in toneelspelen als therapie, gebruikt hij Lear om tot dieper inzicht te komen in de relatie tussen vaders en kinderen. Hij regisseerde zijn eigen vader in Lear, en speelt uiteindelijk zelf de titelrol, in een moeizame versie uit 2001. Bij deze versie staat hij maar liefst zeventig bladzijdes stil. Hij eindigt het boek met zijn laatste rol, als Filips II in Don Carlos. Spelen in die tragedie, over een strenge, onbereikbare vader en een om aandacht schreeuwende zoon, leidt bij Croiset tot een soort van verzoening met zijn lot.

Dat een 72-jarige met zo’n grote staat van dienst nog met zijn vader vecht, zelfs vijftien jaar na diens dood, is een deprimerend gegeven. Vooral als dat met zoveel zelfbeklag gepaard gaat. Verbijsterend is ook om te lezen hoe Croiset zichzelf kwelde door steeds weer zijn eigen vader grote rollen te geven in de stukken die hij regisseerde. Tot een groter inzicht komt Croiset niet echt. En over de beweegredenen van de vader komen we niets te weten. Die worsteling geeft de memoires een sterk centraal thema, maar krijgt daardoor ook te veel aandacht. Steeds weer, in soms vrijwel dezelfde bewoordingen, herhaalt Croiset zijn klacht. Die ruimte had hij beter kunnen benutten om andere interessante dingen uit zijn leven te vertellen. Over de scheiding van zijn ouders in WO II (vader was jood, moeder ging met de voorzitter van de Kultuurkamer) vertelt Croiset bijvoorbeeld niets, terwijl dat best de bron van zijn persoonlijke ellende zou kunnen zijn. Ook andere drama’s in zijn leven, problemen in zijn gezinsleven, het pijnlijke afgedankt worden als artistiek leider, stipt Croiset alleen aan, zonder ze bevredigend te behandelen.

Wat vooral ontbreekt is een meer diepgravende geschiedenis van het theater van de afgelopen halve eeuw. Croiset zou er als hoofdrolspeler zo veel meer en zoveel interessanter over kunnen vertellen. Als je dit boek mag geloven, heeft het hele naoorlogse toneel in de schaduw gestaan van Max Croiset.