Een bewogen dag in 1968: ‘Papa heeft de Tour gewonnen’

In 1968 won Jan Janssen als eerste Nederlander de Tour de France. Jean Nelissen volgde 39 keer de ronde als verslaggever. In zijn tweede Tour dronk hij met de winnaar champagne.

Het is 21 juli 1968, een zondag in Parijs. Bij het krieken van de dag klimt het licht traag omhoog langs de Arc de Triomphe, de Eiffeltoren, de Obelisk op de Place de la Concorde, het Louvre, de Notre Dame, de Sacré Coeur en het Grand Palais. Ik word met een onbestendig gevoel wakker in het Marignan, Avenue Franklin D. Roosevelt, op twee passen van de Champs Elysées. Hartje Parijs.

De avond ervoor heb ik met twee Nederlandse collega’s vlakbij gedineerd in Fouquets, de huiskamer van Parijs op de hoek van de Champs en de Avenue George V. In het toegangspad naar het restaurant met z'n twee verdiepingen hebben ooit Gracia van Monaco, Sophia Loren, Marilyn Monroe en Edith Piaf hun handdrukken achterlaten. Het is een beroemde plek in Parijs. In het George V heb ik koningin Beatrix in een hoekje van Le Galerie met zijn 18de-eeuwse stijlvolle interieur geheel alleen en heel bescheiden een kopje thee zien drinken.

Het is 1968, de Nederlandse journalistieke presentie in de Tour is minimaal en wij vormen met z'n drieën de helft van de in de Tour aanwezige Nederlandse journalisten. We bestellen een sabayon à la truffe blanche d’Álba en daarna een grote geroosterde turbot getrancheerd aux epices, dus met speciale kruiden. En we drinken een fles Chapoutel en ten slotte koffie en cognac. We praten onophoudelijk over Jan Janssen, die in een werkelijk unieke uitgangspositie Parijs heeft bereikt, 32 jaar nadat de eerste Nederlandse wielrenners in de Tour hun opwachting maakten.

Het is mijn tweede Tour. Een jaar eerder, bij mijn debuut, rijd ik met mijn Volkswagentje op de Ventoux langs de stervende Tom Simpson, die met zijn hoofd op de rotsen ligt en die ik ’s ochtends bij de start in het bloedhete Marseille om negen uur bij het zich nimmer te definiëren fenomeen dat wij toeval noemen als laatste journalist heb geïnterviewd. En dan nu de hectiek, die enorme opwinding rond Jan Janssen.

Aan tafel in Fouquets worden in het algemeen door mijn collega’s de kansen van Janssen niet hoog ingeschat. Hij staat 16 seconden achter op de doorgaans betere tijdrijder Herman van Springel. Kan hij in de afsluitende tijdrit door de verraderlijke straatjes van de Parijse voorsteden met steenslag en valse bochten de tijdrit én de Tour winnen? Het is 40 jaar geleden. Maar ik weet nog als de dag van gisteren dat ik in Fouquets tegen mijn collega's zei: ‘Jongens, onderschat Jan niet.’

Want wie werd wereldkampioen in Sallanches, wie versloeg de elite van de sprinters onder wie Rik van Looy, Rudi Altig en Eddy Merckx op de baan van Roubaix en wie won de monsterklassieker Bordeaux-Parijs en wie zegevierde in de Ronde van Spanje? Niemand in het peloton kan zo intens diep in het rood rijden, zichzelf twee keer of meer overwinnen, zich half bewusteloos rijden. En een tijdrit over 54,5 km op de laatste dag van een slopende ronde van drie weken is anders dan de Grand Prix des Nations waarin Van Springel excelleerde.

Ik besluit rechtstreeks naar het Bois de Vincennes te rijden, voor het eerst het eindpunt nu het beroemde Parc des Princes ten prooi is gevallen aan projectontwikkelaars. De lucht boven Parijs is onberispelijk blauw. Slechts een enkel wit wolkje tekent zich af. Ik rijd het laatste gedeelte van het parcours. Aan de kant van de weg verdringen zich dan al de mensen, soms tien rijen dik, geheel volgens de Franse traditie dat je de hele dag van de Tour moet genieten.

De piste municipale in Vincennes, die plaats biedt aan 5.000 toeschouwers, loopt al vol. Er heerst een opgewonden sfeer. Vooral aan de overkant van de finishlijn, waar zich een Nederlands contingent van enkele duizenden supporters gevormd heeft. De speaker roept dat Jan Janssen halverwege een voorsprong op geletruidrager Van Springel heeft genomen. Gendarmes hebben grote moeite de Nederlandse fans in toom te houden.

Dan stormt Janssen de piste op. Zonnebril op het hoofd, één brok wilskracht. Het Nederlandse legioen zwaait met rood-wit-blauwe vlaggen. Als Herman van Springel in verloren positie aankomt, is er geen houden meer aan. De Nederlandse fans lopen de gendarmes omver, stormen naar het middenveld en nemen de huilende Janssen op de schouders en dragen hem in triomf rond.

Van Springel trekt zich – eveneens huilend – terug in een betonnen hok onder de tribune, waar zijn vrouw en de Belgische journalist Robert Janssens van Het Laatste Nieuws hem vergeefs proberen te troosten. Zijn wereld is ingestort. Buiten roept Jan Janssen tegen zijn dochtertje Karin: ‘Papa heeft de Tour gewonnen!’

Drie uur later rijd ik naar het Bois de Boulogne, waar de Nederlandse wielerbond de huldiging exclusief verkocht heeft aan de AVRO, met uitsluiting van de Nederlandse journalistiek. Ik heb op de baan van Vincennes een lid van het hoofdbestuur van de wielerbond zwaar onder druk gezet om de ‘geheime’ plek te achterhalen. Het is de Porte Jaune, een laag gebouw verscholen midden in het bos. Bij de deuropening van het restaurant is een kelner van naar schatting twee meter lang en een meter breed geposteerd die ik tamelijk ruw terzijde schuif.

Koen Verhoeff van de AVRO heeft met een camerateam juist het exclusieve interview beëindigd. Ik schuif in het zaaltje aan bij Jan Janssen en zijn vrouw Cora. Wij drinken in het Bois de Boulogne champagne op, wat wij allen beseffen, dit unieke monument in de geschiedenis van de Nederlandse sport. De onvergankelijke roem. Te vergelijken met de olympische triomfen van Fanny Blankers in 1948 in Londen en Anton Geesink in 1964 in Tokio.

Drie dagen later zie ik Jan Janssen terug bij het befaamde criterium in Chaam, waar 150.000 waanzinnig enthousiaste supporters de grond kussen waarover hij fietst. Ik zeg: „Jan, besef je wel wat je bij de mensen teweeg hebt gebracht?” Hij antwoordt: „Dit zal ik mijn hele leven in mijn hoofd met me meedragen.”