De wereld is het verhaal

‘Alle boeken van Cees Nooteboom zijn reisgidsen in de traditie van Dante.’ De Frans-Argentijnse essayist en leesprofessor Alberto Manguel eert ‘de Nederlandse Diderot’, die donderdag zijn 75ste verjaardag viert.

Ergens in de 18de eeuw betoogde George Berkeley, bisschop van Cloyne, dat iets om te bestaan moest worden waargenomen. Zijn stelling werd weggehoond (en kreeg de misprijzende bijnaam ‘idealisme’) en Berkeley werd verweten ’s werelds materiële bestaan te ontkennen; maar minder recalcitrante lezers zagen in dat Berkeley niet beweerde dat er geen wereld buiten onze waarneming bestaat, maar dat we er niet van mogen uitgaan deze te kennen omdat we haar niet waarnemen. Volgens Berkeley is waarneming noodzakelijk, wil iets bestaan in het bewustzijn van de waarnemer verwerven; met andere woorden, wil iets het mogelijke voorwerp van onze emotionele en intellectuele verkenning worden, dan moeten we het eerst waarnemen. De waarneming schept de wereld die wij willen kennen.

Ik heb geen idee of bisschop Berkeley deel uitmaakt van de universele geestelijke bibliotheek van Cees Nooteboom, maar naar mijn mening heeft Nooteboom, misschien onbewust maar met opmerkelijk succes, de stelling van de brave bisschop op het terrein van de literatuur toegepast. Voor Nooteboom (voor de schrijver Nooteboom) is de wereld nog altijd bezig aan zijn eerste ochtend. Dag en nacht, land en water, levende wezens en hun werk, ze beginnen allemaal als Nooteboom zijn verhaal begint te vertellen, op bladzijde één van hun eigen bestaan. Zodra Nooteboom op reis gaat, is hij zelf, anders dan de meeste normale reizigers, de maker van het land dat hij doorkruist, en in dit betoverde landschap gebeurt alles voor de eerste keer. Zoals de verteller van In Nederland (een van Nootebooms meesterwerken) uitlegt, is er veel gemeenschappelijks tussen een schrijver en een ingenieur, tussen de bouw van de werkelijkheid met woorden en de nieuwe vorm die met beton en ijzer aan de werkelijkheid wordt gegeven – met andere woorden, tussen het vertellen van verhalen en de aanleg van daadwerkelijke wegen.

Voor Nooteboom is literatuur geen spiegel en moet dit ook niet zijn, niet ‘maar een imitatie van de werkelijkheid, verhalen uit het dagelijks leven, en die kun je in elke bar horen’, zoals een van zijn personages klaagt. Ook is het geen catechismus, die vaste vragen voor pasklare antwoorden verschaft. Integendeel: de vragen die de literatuur stelt behoren uit doodlopende steegjes en bodemloze putten te komen, de reiziger te verontrusten en te desoriënteren, weg van de bekende vluchtroutes te leiden, zijn vlees te kannibaliseren en een spoor van verdere vragen na te laten. Of in minder rauwe bewoordingen: het is een voortgaand gesprek waarin de schrijver en de lezer al pratend, laag voor laag, de wereld waarin wij ons bevinden opbouwen. Een gedicht, ‘Scholastiek’, beschrijft dit proces:

Dit is het oudste gesprek op aarde.

De retorica van het water

ontploft op het dogma van steen.

Maar bij het onzichtbare einde

weet de dichter alleen hoe het afloopt.

Hij doopt zijn pen in de rotsen

en schrijft op een tafel

van schuim.

Water, rotsen, schuim: in het land van Nooteboom bestaan geen toevluchtsoorden en geen van zijn teksten heeft een bewaakte omheining. Elke alinea, elke bladzijde vertakt zich in een wildernis van terzijdes, van volgende verhalen, van ‘stel- dats’, van verontrustende commentaren en ongetemde citaten.

Zoals het werk van een ware Berkeleyaan betaamt, regeert over Nootebooms geografie de eerste persoon enkelvoud. ‘The pronoun I is better because more direct’ is het opschrift afkomstig uit The New Webster Encyclopaedic Dictionary boven de proloog van Allerzielen. ‘Dit is natuurlijk wat een schrijver moet doen’, zegt een van de twee romanschrijvers in Een lied van schijn en wezen: ‘Als een adelaar boven de personen hangen die hij wil volgen.’ En later, als verwijt: ‘Jij denkt dat de wereld pas bestaat als je schrijft.’ In deze ironische uitspraak schuilt een onderliggend en ontroerend geloof in de literaire waarheid dat maar weinig schrijvers zich zouden veroorloven.

Weinig schrijvers. De meeste van Nootebooms collega’s geven hetzij de voorkeur aan een spottende of revisionistische navertelling van het dagelijks leven, vaak gekruid met een snufje verbeelding uit het rariteitenkabinet, hetzij aan een kunstmatig beschroomde intentieverklaring waarin de schrijvers om bijval van de lezer te krijgen de werktuigen van hun ambacht etaleren, als tovenaars die hun hocus-pocus uitleggen. Nooteboom verwerpt zowel de truc van de poseur als de ernstige rapportage, ook in zijn scherpzinnigste reisstukken. Als er een voorloper moet worden gezocht, is hij de erfgenaam van Diderot, van de schrijver van Jacques le fataliste et son maître, van Ceçi n’est pas un conte, van Le neveu de Rameau.

Net als Diderot gelooft Nooteboom in de absolute scheppingskracht van de literatuur, in haar vermogen ons bewust te maken door dingen te verwoorden, en eveneens als Diderot wil hij de verantwoordelijkheid voor de zin en de emotie van het verhaal per se met de lezer delen. Bijvoorbeeld: ‘Hij probeerde zijn meester aan het verstand te brengen dat het woord pijn niet aan een idee verbonden was en dat het pas iets ging betekenen als het bij ons een gevoel opriep dat we al eens hadden gehad.’ Voor mij is het moeilijk te zeggen welke van de twee, Nooteboom of Diderot, de auteur van deze uitspraak is.

Maar Nooteboom is geen filosoof, tenminste geen ordelijke. Zijn methoden van denken zijn te willekeurig, lukraak, hij wordt afgeleid door boeiende terzijdes die niet zozeer een systeem weven, als wel een staalkaart vormen van het erudiete allegaartje van zijn geheugen. ‘Vleermuizen die rondzwermen in een duistere spelonk,’ zo omschreef hij zijn geheugen een paar jaar geleden. En in Rituelen: ‘De herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil.’ Toeval, willekeur en synchroniciteit zijn bepalender voor zijn intellectuele leven dan enige systematische studie of theoretische structuur.

Nootebooms ervaring van de wereld lijkt af te hangen van toevallige ontmoetingen, een gevonden zin terwijl hij in het wilde weg een boek doorbladert, een flard van een gesprek opgevangen bij het oversteken van een straat. Zijn personages gaan ook zo te werk: Arthur Daane in Allerzielen brengt zijn verhaal op gang met een woord dat in zijn hoofd is blijven haken, Geschichte, dat hij in zijn moedertaal met geschiedenis vertaalt, wat hem dan weer ongevaarlijker lijkt dan zijn Duitse neef, misschien wel door de uitgang ‘nis’. Ar-

Vervolg op Pagina 2

Hoe universeel is Hollands ‘grootste schrijver’?

Vervolg van pagina 1

nold Pessers in Mokusei! begint zijn verhaal met een beeld ver weg in de voorwaardelijke wijs, een foto die ‘hij had willen maken’; en die tot de roman zal uitgroeien die de lezer in zijn handen houdt; de verteller van Paradijs verloren ziet een vrouw in een vliegtuig en dit beeld zal uiteindelijk over twee oceanen en twee continenten doorsijpelen.

Uit zo’n oneindig klein begin spint Nooteboom zowel het verhaal als het commentaar hierop, zowel wat op de pagina plaatsvindt als wat daarachter ligt – als mogelijkheden. De oude rabbijnse overtuiging dat de geschapen wereld de tekst, de tora het verhaal en de talmoed de annotatie is, lijkt in het werk van Nooteboom een praktische wedergeboorte te beleven. De wereld is het vertelde verhaal, en de tekstuele stof is doorweven met Nootebooms commentaren, fabels, bespiegelingen en speculaties, die deze kennis verruimen en verdiepen en ons vertellen waar wij zijn.

Dit geldt vooral in zijn beste romans: In Nederland, Een lied van schijn en wezen, Rituelen, Allerzielen en in het bijzonder Het volgende verhaal. Een oude misantropische professor dode talen, Herman Mussert, wordt op een dag wakker met het gevoel dat hij er niet meer is en besluit net als Odysseus aan het einde van diens reizen er nog één laatste maal op uit te trekken om te ontdekken wat dit wezen is dat hij heeft verloren. Mussert is de verzinnebeelding van het Nooteboom-personage. Niet alleen ontvouwt zich de kenbare wereld als hij ons daar doorheen leidt, maar tegelijkertijd stroomt de tijd op een onmogelijke wijze terug en kunnen we deze inspecteren, zodat we in deze dubbele ontvouwing allemaal, hoofdpersoon, schrijver en lezer, gevangen zijn in een almaar uitdijende cirkel die voordurend ‘het volgende verhaal’ najaagt. Het is geen toeval dat Musserts andere beroep schrijver van reisgidsen is: alle boeken van Nooteboom zijn reisgidsen in de traditie van Dante. De landen die Nooteboom beschrijft zouden zonder hem niet bestaan.

Vrijwel geen enkele literaire vorm is Nootebooms dwalende nieuwsgierigheid te machtig. Nooteboom is een meesterlijk romanschrijver, een voorbeeldig reisbeschrijver, een compleet essayist, een opmerkzaam en origineel kunstcriticus, maar vooral – en op al deze terreinen – is hij een dichter. De bijna 400 pagina’s die zijn verzamelde dichtwerk omvat beslaan een veelheid van onderwerpen en stemmen, en hebben met zijn proza de talmoedische eigenschap van het opgeroepen commentaar gemeen. Een typerend gedicht, ‘Zelfportret van een ander’, uit 1993, bedoeld ter begeleiding van de schilderijen van de kunstenaar Max Neumann, verkent in 33 prozadelen het verband tussen het landschap, de kunstenaar en de lezer, door middel van de woorden die hen verbinden en hun een bestaan en een gezicht verlenen. Over de schilder (maar de lezer weet dat hij zelf ook inbegrepen is) zegt Nooteboom: ‘Hij ziet zich verdwijnen tussen dat wat moet blijven, tussen alles wat er al was.’ ‘Al’ verwijst naar het moment tussen de blanco pagina en de val van de eerste letter.

Dit zwangere moment, tussen de mogelijkheid en de poging tot vervulling, is wezenlijk in Nootebooms werk. Het bepaalt de grenzen van zijn schrijversambacht en roept de medeplichtigheid van de lezer in. Een kort gedicht, ‘Post’, richt zich tot die lezer in achteloze, bijna oneerbiedige bewoordingen:

Zoals iemand een bladzij omslaat

zonder te hebben gelezen,

alles geschreven voor niets.

Voor niets of voor iets: de verantwoordelijkheid voor de mogelijke openbaring is aan ons.

In dit opzicht is het werk van Nooteboom over de hele wereld en in zijn eigen land met hetzelfde enthousiasme begroet. In Spanje, in Frankrijk, in Scandinavië, in Zuid-Amerika, in de Engelstalige landen wordt Nooteboom als een van de reuzen uit de hedendaagse literatuur beschouwd. In Duitsland bij voorbeeld beslaat zijn volledige werk negen kloeke delen, die hem de status van een modern klassiek auteur opleveren. Zo’n uitgave bestaat niet in het Nederlands en het is misschien geen nutteloze vraag waarom niet.

De reden zou kunnen zijn dat in het werk van Nooteboom het landschap zijn inwoners vormt en dat zij op hun beurt het landschap bepalen; daardoor kweekt Nederland een soort ‘absolutisme, als de woestijn’, (zegt de verteller van In Nederland), een vlakheid die leidt tot de extreme zichtbaarheid van mensen, waardoor zij ‘niet met elkaar omgaan, maar elkaar tegenkomen’. Zelfs hun taal, beklemtoont de verteller, stamt uit dit landschap: ‘dijkbreuken, Oostenwind en kruiende rivieren, waardoor de harde klanken in het hogere gedeelte van de keel ontstonden.’ Dit is allemaal geen karikatuur of gemakzuchtige topologie, maar een ernstige poging de draden te volgen die de plaats waar wij leven verweven met wat we doen, en wat we doen met wie we zijn. Allemaal ter wille van het verhaal, in Nootebooms voorbeeldige poging om dat waarvan hij het bestaan wenst, waar te nemen.

Misschien hebben de Nederlanders juist wel om die reden, omdat Nooteboom weigert een gelijkmatig verhaal van hun geografische en historische identiteit te bieden, hem als hun belangrijkste schrijver afgewezen. Dit geldt zo vaak voor een schrijver die niet wenst in te spelen op couleur locale en milde sociologie, maar in plaats hiervan een royaler, alomvattend uitgangspunt verkiest. Voor de Nederlanders moet Nooteboom schuldig lijken aan heiligschennis. Het zal vast niet bij hen zijn opgekomen dat het misschien wel andersom is.

Als we over de universaliteit van een schrijver spreken, veronderstellen we deze universaliteit eigenlijk bij de lezer. We stellen dan dat we, afgezien van conventionele definities en bureaucratische vereisten, allemaal kunnen bogen op het gemeenschappelijke vermogen de wereld te leren kennen met behulp van geschapen beelden en woorden. (Of we besluiten gebruik van dit vermogen te maken is een tweede.) ‘Cultuur is een code’, zegt de verteller van In Nederland, waaraan Nooteboom in een briljant essay over Breugel de volgende vraag toevoegt: ‘Maar hoe kun je iets herkennen dat toen de schilder leefde nog niet als zodanig bestond?’ Met andere woorden, als bij elke afzonderlijke cultuur één afzonderlijke code hoort, hoe kan een kijker of lezer uit de ene cultuur dan het verhaal dat in de andere is voortgebracht ontcijferen?

In het antwoord schuilt, zoals Nooteboom beseft, het geheim van zijn eigen ambacht. Nooteboom weet dat de kunstenaar een complexe verzameling geluiden en beelden, tekens en betekenissen schept, en daarmee zijn schepping in staat stelt op haar eigen voorwaarden te bestaan en met de wereld (die wereld die dankzij haar bestaan nu kenbaar wordt) een relatie aan te gaan van wederzijdse groei, van wederzijds begrip en kracht en troost, onbegrensd door ruimte en tijd. Nooteboom verheldert Breugel maar Breugel verheldert ook Nooteboom, en daardoor kan deze ons weer verheldering geven door de vragen te verwoorden die wij misschien op het puntje van onze tong hebben liggen, en ook die waarvan we ons niet bewust waren.

Nootebooms woorden voeden ons met zulke vragen, prikkelen onze dromen, porren ons wakker, maken ons nieuwsgierig en helpen ons, in elk geval voor zolang als we ze lezen, voorbij te gaan aan de overvloedige stompzinnigheid van onze tijd.

Vertaling: Rien VerhoefBij Atlas, inmiddels Nootebooms voormalige uitgeverij, verschijnt op 31 juli ‘Verleden als eigenschap Kronieken 1961-1968’. In deze door Arjan Peters samengestelde bundel van 600 dikbedrukte pagina’s is een keuze gemaakt uit de 572 columns (deels nooit hergepubliceerd) die Nooteboom in de jaren zestig voor de Volkskrant schreef.