De dromen van het Herrenvolk

Hitler mag zich in het laatste oorlogsjaar hebben opgeworpen als beschermer van Europa, in feite bleef het voor hem rijp voor kolonisatie. Aldus Mark Mazower in zijn nieuwe studie.

Mark Mazower: Hitler’s Empire. Nazi Rule in Occupied Europe. Allen Lane, 726 blz. € 40,–

Niemand heeft zich ooit serieus kunnen of willen voorstellen hoe Europa er zou hebben uitgezien als Hitler de Tweede Wereldoorlog had gewonnen – de nazi’s zelf misschien nog ’t minst van allemaal. In de Tischgespräche van en met de Führer zijn natuurlijk dromen gedroomd en soms, bij stukjes en beetjes, ook strategische doelen over tafel gegaan. Stalin zou sowieso tot achter de Oeral zijn verjaagd, Engeland tot een soort vrede gedwongen, de Midden- en Oost-Europese landen als Duitse protectoraten gekoloniseerd, de westerse met Duitsland verenigd in een al dan niet federatief verband – maar hoe dan verder? Zou een communistisch reststaatje ergens rond de hoofdstad Omsk zich vervolgens koest houden? Zouden het Verenigd Koninkrijk en Amerika niet een voortdurende bedreiging blijven? Waren in Frankrijk, België, Nederland en Scandinavië permanente Quislings nodig? Als je de geschiedenis van het Derde Rijk naloopt krijg je niet de indruk dat daar op enigerlei niveau ooit structureel over is nagedacht.

In Hitler’s Empire van de onvoorstelbaar productieve Engelse historicus Mark Mazower, worden in de inleiding wat opmerkingen gemaakt over een door Hitler misschien ooit bedacht nationaal-socialistische ‘imperium’, maar die krijgen in het boek (dat toch meer dan zevenhonderd bladzijden telt) nergens een substantieel vervolg. In de jaren onmiddellijk na 1933 waren het weer vooral imperiale dromen: over Afrikaanse bezittingen (Madagascar als Joods Tehuis!), over doortochtmogelijkheden naar India, over een Aziatisch Lebensraum. Maar zodra de oorlog was begonnen, verdwenen de vergezichten achter telkens nieuwe actuele operaties: Parijs bezetten, op de Engelse kusten landen, Moskou veroveren – en omdat die plannen voor een belangrijk deel al niet gerealiseerd konden worden, raakten de machtsdromen steeds verder verneveld. Toen de krijgskansen halverwege 1942 en 1943 voorgoed gekeerd waren, trad het omgekeerde proces in werking. De Duitse troepen moesten planmäßig terug (dat was het woord dat in legerberichten altijd gebruikt werd om te doen alsof de aftocht op slimme tactiek berustte), een invasie op het Europese vasteland diende voorkomen te worden, de geallieerden mochten nooit het Duitse grondgebied betreden, totdat in Berlijn uiteindelijk moest worden gebeden om een mirakel. De grote visioenen waren tenslotte verschrompeld op een oppervlakte zo klein als de Führerbunker.

Hitler’s Empire is zeker voor driekwart het zoveelste relaas over aanleiding en verloop van de Tweede Wereldoorlog, maar dan consequent beschreven vanuit het gezichtspunt van Hitler, of beter gezegd: vanuit het gezichtspunt van diens bluf, diens geloof dat hij de hele wereld kon intimideren, diens misrekeningen, diens blunders en diens macabere laatste wens dat Duitsland en het Duitse volk samen met hem ten onder zouden gaan. Anders dan nogal wat biografen van het Derde Rijk is Mazower er van overtuigd dat Hitler werkelijk tot z’n laatste snik de aanbeden en absolute Leider is gebleven, zonder wiens fiat gouwleiders, partijbonzen, ministers noch generaals ooit een vitale beslissing hebben durven nemen. Als het nationaal-socialisme werkelijk een wereldrijk had kunnen vestigen, dan zou het inderdaad Hitlers imperium moeten zijn geweest, met Speer als rijksarchitect, Himmler als politiecommissaris, Goebbels als perschef en de rest van de elite als een korps inwisselbare ambtenaren. Althans volgens Mazower.

Maar er zit iets onevenwichtigs aan dit boek. Nazi Rule in Occupied Europe luidt de ondertitel, en dat lijkt een uitwerking van het ‘imperialistische’ hoofdthema te beloven. Als Hitler een Europees Duits rijk had willen stichten (de mondiale illusies waren gauw verdampt), zou een zekere ‘standaardisering’ van gedragsregels in de bezette gebieden geen overbodige luxe zijn geweest. Karel de Grote bevorderde de verchristelijking van zijn Europa, Karel V ontwierp een Bourgondische Kreits voor op z’n minst een administratieve eenheid in het westen, en Napoleon prees tot op Sint Helena de ‘eeuwigheidswaarde’ van zijn Code, die van Amsterdam via Rome tot aan Warschau reikte. Hitler zette als ‘eenmaker’ helemaal niets op zijn naam. Mazower benadrukt wel het onderscheid in de manier waarop de Duitsers zich in Parijs gedroegen, of in Polen of Joegoslavië (waar naar Hitlers mening voornamelijk Untermenschen huisden). Maar hij is weinig exact als het gaat om de toch fundamentele verschillen die van meet af aan bestonden tussen België (militair Duits gezag) en Nederland (bestuurlijk Duits gezag), of tussen Denemarken (bezetting, maar met respect voor de gebleven koning) en Noorwegen (bezetting, maar met een betrekkelijk sterke positie voor een eigen pro-nazipartij) – om van de ingewikkelde situatie in Frankrijk (half bezet, half quasi-vrij en quasi- neutraal) verder maar te zwijgen.

Mazowers kracht ligt in het gebruik van documenten, uitspraken, opvattingen en besluiten die we voor het merendeel al elders zijn tegengekomen (z’n boek is overwegend een literatuurstudie, het boort geen nieuwe bronnen aan), maar waarin hij al interpreterend accenten legt die wel degelijk een verrassende nieuwe kijk op feiten en gebeurtenissen opleveren. Een treffend voorbeeld is zijn ‘analyse’ van een artikel dat Goebbels op 25 februari 1945 in Das Reich schreef en dat een reactie moest zijn op het kort tevoren verschenen slotcommuniqué van ‘De Grote Drie’, die het in Jalta eens waren geworden over hoe Europa er uit zou zien nu Hitler de oorlog (bijna) definitief had verloren. Goebbels had zijn stuk Das Jahr 2000 genoemd, en was begonnen de Duitse lezer een hart onder de riem te steken:

‘In het jaar 2000’, schreef hij op het moment dat de Amerikanen bij Remagen al bijna over de Rijn waren, ‘zal Duitsland niet bezet zijn door zijn vijanden. De Duitse natie zal de intellectuele leider zijn van de beschaafde mensheid. Dat recht hebben wij gedurende deze oorlog verworven. Deze wereldworsteling met onze vijanden zal als een boze droom in de herinnering van ons volk voortleven’.

Wat ontbrak in de voorspelling was de verzekering dat Duitsland die wereldworsteling niet zou verliezen. In plaats daarvan schetste de auteur het vreselijke beeld van wat er zou gebeuren bij een Russische overwinning. Churchill en Roosevelt waren in Jalta volgens Goebbels met open ogen in Stalins val gelopen, en zouden daar voor boeten. Niet alleen Duitsland zou lijden. Achter een ‘IJzeren Gordijn’ (Goebbels was met dit begrip één jaar en een paar dagen eerder dan Churchills historische Fulton-rede) zouden mensen systematisch vermoord worden, en als we niet oppasten zou de stalinistische vernietigingsgolf over heel Europa rollen, en het einde bestempelen van het Avondland.

Mazower heeft aan de curieuze profetie nog een behartenswaardige uiteenzetting verbonden over de rol die ‘Europa’ speelde in het nazistische wereldbeeld, én over het Europa waar we zestig jaar na dato aan toe lijken te zijn. Hij betoogt dat het Avondland eigenlijk pas na Operatie Barbarossa (en zeker vanaf het moment dat de Duitsers voor Moskou moesten halt houden voor de Russische winter) een Duits propagandavehikel is geworden. Vóór die tijd was Europa in nazi-ogen niet veel meer dan territorium dat veroverd moest worden. Daarna kreeg het de culturele lading van een continent dat bescherming verdiende tegen ongeciviliseerde tegenstanders. En Duitsland was uiteraard het enige land dat Europa kon redden. Ik herinner me de eerste keer dat ik een brug weer eens zag opengaan – dat moet het schooljaar ’42-’43 zijn geweest – en aan de onderkant van het brugdek dat traag verrees, in koeien van verfletters ineens moest lezen: ‘V is Victorie, want Duitsland strijdt voor Europa op alle fronten’. Toen al waren we van Nederlanders Europeanen geworden.

Fanatieke Britse eurosceptici hebben in de laatste decennia bij herhaling het ideaal van een Europese Unie ook vergeleken met iets waarvan de nazi’s al hadden gedroomd. Mazower houdt met kracht van argumenten staande dat Hitler er op dat punt nooit enig ideaal op na heeft gehouden. Het niet-Duitse deel van Europa was, van Noorwegen, Nederland en Italië tot aan de Oeral, wat hem betreft rijp voor kolonisatie door een Herrenvolk. Precies zoals Goebbels het zijn onfeilbare Führer nazei: aan Duitsland viel het intellectuele leiderschap toe van de beschaafde (lees: Europese) mensheid.

De vertaling verschijnt begin 2009 bij Contact