De achterkant van het gelijk

Het is een bekend fenomeen dat in tijden van grote druk het menselijk brein scherper reageert en analyseert dan in tijden van ontspanning. Dat zulks ook geldt voor het brein van de machtigste man ter wereld, is deze week aangetoond.

In de nadagen van zijn presidentschap lijkt George W. Bush, getergd door de economische crisis in de Verenigde Staten, ineens te beschikken over een ongekende alertheid. Alleen deze week al versloeg zijn brein tot twee keer toe de heersende opvatting over de kredietcrisis en de huizencrisis.

Eerst de kredietcrisis. Op een in het geheim opgenomen filmpje, gemaakt met een mobiele telefoon tijdens een liefdadigheidsbijeenkomst in Houston, haalt Bush hard uit naar de hebzucht van de financiële wereld. Hij zei: „Er is geen twijfel. Wall Street is dronken geworden en heeft nu een kater.” Helderder kan het probleem van de zakenbanken niet geschetst worden.

Jammer alleen dat de president dergelijke uitspraken alleen off the record doet. Met zulke ferme taal, en liefst bijbehorend corrigerend beleid, was de kredietcrisis wellicht al veel eerder te beteugelen geweest. Hoe dan ook, de analyse deugt. Maar daar hoor je dan weer weinig over bij de Amerikaanse televisiestations die zich slechts verkneukelen over de zoveelste faux pas van hun president.

Het tweede gelijk van Bush betreft zijn verzet tegen enkele passages in de huisvestingswet die eerder deze week door het parlement werd geaccordeerd. De wet is noodzakelijk om hypotheekbedrijven als Fannie Mae en Freddie Mac overeind te houden. Maar onderdeel van de wet is ook een pakket van 4 miljard dollar, bedoeld om over te dragen aan lokale overheden die daarmee leegstaande huizen (als gevolg van de subprime-crisis) kunnen opknappen of opkopen.

Bush heeft zich lang tegen met name die passage verzet, maar tevergeefs. Te elfder ure liet het Witte Huis woensdagavond uiteindelijk zijn veto in te trekken tegen de hele wet. De problemen met Fannie en Freddie zijn zo groot dat het níét aannemen van de wet grotere negatieve consequenties zou hebben.

Dat laat onverlet dat Bush groot gelijk had met zijn bezwaren. Immers, een overheid is er niet om de markt te ontregelen door met bakken geld de normale prijsvorming op de huizenmarkt te beïnvloeden. De overheid zou hooguit de imperfecties in de markt moeten repareren. Dat is een taak op systeemniveau en kan uitgevoerd worden door bijvoorbeeld betere regelgeving of strenger toezicht.

Het heeft even geduurd, de brille van Bush, maar beter laat dan nooit.

Egbert Kalse