Caravan, vuilstort, speeltuin. Het was episch

Twee auteurs keren terug naar de Nederlandse vakantiebestemmingen uit hun jeugd.

Vandaag: Zomer en winter op de camping. Wijchen, 1977.

Als niemand nostalgie had uitgevonden, had ik het wel gedaan. Bij de eerste jaarwisseling die ik een beetje bewust meemaakte, toen mijn vader me het concept had uitgelegd – ik was vijf – stond ik te snikken. Omdat het jaar voorbij was. Ik was een kleine dramaqueen.

Nu loop ik door Wijchen en ik zie een straathoek en ik weet zeker dat ik hier een keer langs ben gereden met mijn vader in zijn Citroën GS en dat ’t is weer voorbij die mooie zomer van Gerard Cox uit de radio kwam. Ik ben ontroerd dat ik de plek herken, dat ik de herinnering eraan kan verbinden, en ik weet zeker dat ik toen achterin de GS zat en dat ik dacht: ja, hij is inderdaad weer voorbij, die mooie zomer. Want zo was ik. Even later zie ik een straathoek die de eer van die herinnering ook zou kunnen verdienen; eigenlijk lijken alle straathoeken hier behoorlijk op elkaar, en ik besluit dat de eer gedeeld mag worden: een liedje duurt tenslotte een minuut of drie, dus er kunnen heel wat straathoeken meegenomen worden in die herinnering.

We stonden op camping Boszicht. We verhuisden naar Nijmegen en we hadden een huis gevonden maar mijn ouders hadden ook twee wasserettes, net overgenomen van een man die ze in Benidorm hadden ontmoet. Door de wasserettes duurde het opknappen van het huis een beetje lang, maar dat was niet erg, want op een kwartiertje rijden zat camping Boszicht. We zaten er een hele zomer, en toen de zomer voorbij was maar het huis nog niet klaar, zaten we er ook een hele winter.

Mijn zuster en ik vonden dat geweldig, natuurlijk, want we waren de enigen. We hadden de gigantische speeltuin voor onszelf, en wij vonden de caravan heel erg gezellig.

Nu ben ik terug in Wijchen en camping Boszicht heet nu Recreatiepark Alverna. De ingang is verplaatst, waardoor ik niets direct herken. Ik loop naar de receptie en op de deur van de receptie zit een papiertje geplakt: ‘ik ben in de kantine’.

Voor de kantine zitten een paar mensen te roken, want binnen mag dat sinds een paar dagen niet meer – 1 juli heeft overal slachtoffers gemaakt. Een man met een grote snor zegt dat er genoeg ruimte in Nederland is, dus ze kunnen best één provincie inrichten voor Turken, één voor Marokkanen, en één voor niet-rokers. Dat-ie dat gezeur over roken zat is. Dat ze weer iets nieuws hebben uitgevonden: longembliseem [sic].

Ik loop het terrein op en ik zie het zwembad liggen en het is hetzelfde zwembad waar ik heb leren zwemmen van de buurman. Mijn ouders hadden die wasserettes en ze moesten werken, maar we hadden buren die op mijn zuster en mij letten. De buurman was vrachtwagenchauffeur en had tatoeages. Hij had zijn eigen zoontje al zwemmen geleerd, dus hij deed mij er ook even bij. Nu pas bedenk ik dat mijn vader dat misschien wel erg heeft gevonden. Ik ben ook een keer mee geweest met de buurman toen hij zijn vrachtwagen moest parkeren. Dat was behoorlijk geweldig. Ik hoop dat ik iets tegen mijn vader heb gezegd dat deed blijken dat ik hem ook best wel een echte vent vond.

In mijn herinnering lag het zwembad heel ver van het pad waar onze caravan stond, maar het blijkt nu maar twintig meter te zijn. En een paar meter verder ligt de speeltuin die in mijn geheugen twee voetbalvelden besloeg. Nu blijkt het een klein terreintje met aftandse speeltoestellen te zijn. Om de speeltuin ligt een ringweg van hobbelig asfalt, en mijn vader heeft me hier een keer op schoot genomen in de GS, en ik mocht sturen. Misschien wel direct nadat ik met de buurman de vrachtwagen had geparkeerd. Er zitten twee oude mensen in tuinstoelen voor hun caravan. Ik vraag of ze hier dertig jaar geleden ook stonden. Nou, dertig jaar geleden niet, maar wel al heel lang. Ik vraag of de speeltuin kleiner is gemaakt. Nee, ze weten zeker dat die speeltuin altijd zo geweest is. Ik zeg dat er vroeger een toren op had gestaan, een houten uitkijktoren en een glijbaan die echt tientallen meters hoog geweest moet zijn. De oude mensen zeggen dat dat best zou kunnen wezen.

En de vuilstort? Achter de camping lag een vuilstort waar stoere jongens op crossmotoren rondreden en ik was er één keer geweest met een vriendje dat dat durfde, daar komen. Episch was dat, episch. Ja, de vuilstort is nu de skiberg geworden. Ik knik. De berg is vast niet zo hoog als ik me herinner en ik wil die angst niet bevestigd hebben.

Verderop herken ik een pad waar een vriendje stond en ik had er in mijn herinnering een soort Hobbitstee van gemaakt, met veel heuvels en knusheid, maar het glooit alleen een beetje. En knusheid, ach: als kind vond ik Kerst geweldig gezellig, maar dat was omdat ik niet doorhad dat mijn twee oma’s elkaar diep haatten. Een kerstboom en kadootjes, meer heeft een kind niet nodig.

Terug bij het zwembad zie ik een meisje van een jaar of tien, een handdoek om zich heen, en ze heeft een witte lok en ze moet wel het kind zijn van een van de twee zusjes die hier dertig jaar geleden ook stonden: allebei zo’n lok, en waar mijn zuster de baas was van ons deel van de camping, waren zij dat van hun deel. Ik was bang voor ze en ik ben ook een beetje bang voor dit meisje.

Voor de kantine zit het groepje rokers nog. Ook de kantine is kleiner, het moet wel – alles is hier afgebroken en in een kleinere schaal weer opgebouwd. Mijn vader was een held in deze kantine. Mijn ouders deden mee met een kwis, iets dat afgekeken was van wat Willem Ruis op televisie deed, en mijn zuster en ik hadden een spandoek gemaakt.

Ergens tijdens de kwis moesten de deelnemers iets uitbeelden en mijn vader deed een violist, en het was de beste violist die iedereen in die kantine ooit had gezien. Er moeten honderden mensen bij zijn geweest. Honderden. Maar die zouden nooit in deze kantine hebben gepast.

Ze hebben hier alles afgebroken. Ik weet het zeker. Alles is teruggezet op kleinere schaal.

Ik loop terug naar Wijchen, 3,7 kilometer volgens Google Maps. Op een zijweg ligt de toegang tot de skiberg. Een bord dat de weg wijst wordt verstopt door begroeiing, en er zit een lapjeskat de wacht te houden. Wil ik hier kijken, kat?

Nee, zegt de kat, dat wil je niet. Het was episch. Geloof me maar.