Buñuel ontwijkt elk antwoord op alle filmvragen

De grote filmregisseur Buñuel overleed 25 jaar geleden. Een mooi boek met interviews biedt een prachtig portret van deze surrealist

Tomás Perez Turrent en José de la Colina: Buñuel over Buñuel. Vertaald uit het Spaans en toegelicht door Gijs Mulder. Met een inleiding van Willem Jan Otten. Menken Kasander & Wigman Uitgevers, 490 blz. € 34,50

Bij de eerste films die de Spaanse regisseur Luis Buñuel (1900-1983) zag, als kind in Zaragoza, was niet alleen een pianist in de zaal aanwezig, maar ook een ‘explicador’: een man die naast het scherm stond en hardop uitlegde wat er op het filmdoek aan de hand was. De taal van de cinema was zo nieuw, dat veel toeschouwers het verband tussen de beelden slechts met moeite konden leggen.

Zelf was Buñuel, die deze anekdote vertelt in zijn verrukkelijke memoires Mijn laatste snik, allerminst een explicador. Zijn weigering om de beelden in zijn films te duiden, was meer dan een persoonlijke onhebbelijkheid. Het was een onderdeel van het geloof dat het katholicisme van zijn jeugd heeft vervangen: het surrealisme, waar hij als jongeman in de jaren twintig in Parijs mee in aanraking kwam. De surrealisten ging het om het doorbreken en ontregelen van alle verbanden, van conventionele of rationele aard. In de beroemde formulering van de voorman van de groep, André Breton: ‘Interessant is de ontmoeting van een paraplu met een naaimachine op een snijtafel.’ Dat credo bleef Buñuel zijn leven lang trouw, ook na zijn breuk met de groep.

De interviewers Tomás Pérez Turrent en José de la Colina krijgen in Buñuel over Buñuel dan ook geen directe antwoorden, als ze vragen naar de betekenis van beelden van zijn films. Het boek van deze twee Mexicaanse filmcritici, die tussen 1975 en 1977 vijftig uur met Buñuel hebben gesproken, is een klassieker in de Buñuelliteratuur. Naar aanleiding van het 25ste sterfjaar van de regisseur is het nu voor het eerst in het Nederlands verschenen, in een uitstekende vertaling van Gijs Mulder. Hij gaf de gesprekken verhelderende voetnoten mee, zocht prachtig beeldmateriaal bij elkaar en besluit het boek met een nuttige bibliografie. Op elke pagina is te zien met hoeveel toewijding en liefde het boek gemaakt; zonde van de onwaardige, slappe kaft.

Omdat hij in Mijn laatste snik weinig over zijn werk zegt, is Buñuel over Buñuel een essentiële aanvulling op de memoires. Ook Buñuels ontwijkende antwoorden zeggen uiteraard veel over de man en zijn manier van werken. Zijn antwoorden op praktische vragen (Waarom wilde u juist dit boek verfilmen? Waarom koos u voor die en die acteur? Hoe kwam u aan die scenarist?) zijn altijd interessant.

Film voor film lopen de interviewers het enorme oeuvre door. Dat heeft het voordeel dat ook de vele films die Buñuel in Mexico heeft gemaakt – zijn minst bekende, maar misschien wel zijn beste periode – volop aan bod komen. Bovendien zijn de interviewers, al was het maar omdat ze zelf Mexicanen zijn, goed in staat zijn om de films te plaatsen. De discussies over meesterlijke films als Los Olvidados, Él, Ensayo de un crimen en Nazárin zijn stuk voor stuk geanimeerd.

De Buñuel van de jaren zeventig is een diepe scepticus, die geen geloof meer hecht aan enige vorm van collectieve actie, tot ongenoegen van zijn soms marxistisch aandoende ondervragers. Wat niet wil zeggen dat hij een zelfingenomen aanhanger van de status quo is geworden. Zijn vrijheidsdrang is nog steeds vitaal. In een belangrijke passage in zijn autobiografie zegt hij het zo: ‘Wat mij van het surrealisme is bijgebleven, is de ontdekking, in mijzelf, van een heel scherp conflict tussen de principes van elke moraal die van buitenaf komt en mijn persoonlijke moraal, voortvloeiend uit mijn instinct en uit de ervaring die ik al handelend heb opgedaan. Ik vind zo’n conflict onmisbaar voor elk leven.’