Buigen maar niet barsten

Zo indringend als Sjolem Aleichem de teloorgang van de joodse wereld in ‘Tevje de melkboer’ binnenlaat, zo ‘onbekommerd-vrolijk’ wil Itsik Manger die in zijn roman ‘Lied van het paradijs’ ontkennen.

Sjolem Aleichem: Tevje de melkboer. Vertaald uit het Jiddisj door Willy Brill. Veen, 190 blz. € 22,90

Itsik Manger: Het lied van het paradijs. Vertaald uit het Jiddisj door Henriëtte Silverberger. Veen, 220 blz. € 24,90

Tevje de melkboer van Sjolem Aleichem zal menigeen vaag bekend voorkomen. Al was het maar omdat dit boek de basis vormde voor de musical Fiddler on the Roof (Anatevka). Het is daarom verwonderlijk dat Tevje nu pas voor het eerst rechtstreeks uit het Jiddisj is vertaald. (De vorige vertaling, van N. Polak en A. Polak-Lubbers uit 1966, kwam via het Engels tot stand.) In de musical wordt nostalgisch teruggeblikt op het voorgoed verdwenen Oost-Europese joodse leven. Het boek is aanmerkelijk minder nostalgisch.

Aleichem (1859-1916) groeide als Sjolem Rabinovitsj op in Oekraïne, in een tijd dat veel joden uit de beslotenheid van de religieuze traditie stapten en deel gingen uitmaken van de moderne maatschappij. Hij begon zijn schrijverscarrière in het Hebreeuws en Russisch, maar ging later over op het Jiddisj, waarmee hij een veel breder publiek trok. Hij schreef romans, korte verhalen, feuilletons, recensies en gedichten, en werd er immens populair mee. Zijn hoge productiviteit kwam mede voort uit geldnood. Dankzij een erfenis van zijn schoonvader kon hij enige tijd op grote voet leven. Het geld stak hij deels in de uitgave van ‘goede Jiddisje literatuur’, de rest verspeelde hij op de beurs. En daarna was het weer sappelen geblazen

Vanaf 1895 tot kort voor zijn dood heeft Sjolem Aleichem met tussenpozen gewerkt aan Tevje de melkboer. Dat leverde negen monologen op, waarin Tevje zijn hart uitstort bij de schrijver. Tevje is een man die de zaken neemt zoals ze komen, die buigt maar niet barst, die liever compromissen sluit dan het conflict aangaat – al zijn er grenzen. Zijn veelvuldige, meestal verkeerd geïnterpreteerde en uit de context gehaalde citaten uit Tora en Talmoed vormden een bron van vermaak voor zijn lezers. Hetzelfde geldt voor het gekissebis met zijn vrouw Golde, die voor het eten zorgt en verder haar mond moet houden, maar dat natuurlijk niet doet.

Dochters

Voor het publiek van nu zal Tevjes humor vaak moeilijk navolgbaar zijn, al heeft vertaalster Willy Brill de weerbarstige tekst bewonderenswaardig leesbaar vertaald en er ook – met hulp van Ruben Verhasselt – voor gezorgd dat de citaten én Tevjes interpretaties daarvan voor iedereen te begrijpen zijn. Tevje zelf blijft, in al zijn oubolligheid, overeind, maar wat het boek voor de hedendaagse lezer vooral nog interessant maakt, zijn Tevjes dochters. Alle zeven zijn ze even mooi en even slim, aldus Tevje, maar wat heeft hij veel met hen te stellen.

Via de dochters geeft Sjolem Aleichem een bijna programmatisch inkijkje in de teloorgang van de traditionele joodse gemeenschap. Zo wordt dochter Hodl verliefd op een – joodse – revolutionair. Een sympathieke jongen, vindt Tevje, met wie je tenminste een goed gesprek kunt voeren. Dat het paar trouwt zonder hem toestemming te vragen, bevalt hem minder. Ze hebben haast, want Hodls man moet aan de revolutie werken. Kort daarna wordt hij gearresteerd en naar Siberië gebracht, en Hodl voegt zich bij hem.

Tevjes wereld schudt op zijn grondvesten, maar hij respecteert Hodls besluit. In dit in 1904 geschreven verhaal laat Sjolem Aleichem de buitenwereld indringend toe: rond de vorige eeuwwisseling broeide het in het Russische rijk, en die onrust zou uitlopen op de mislukte revolutie van 1905. Deze revolutie had veel joodse sympathisanten, omdat het leven er voor de Russische joden steeds onaangenamer op werd.

Nog bonter maakt dochter Chawe het, door verliefd te worden op een christen. Dit is ook voor de tolerante Tevje een stap te ver. Conform de joodse traditie rouwt hij om haar: ze is voortaan dood voor hem.

In 1909 schreef Sjolem Aleichem voorlopig het laatste verhaal over Tevje. Zijn vrouw is dan al gestorven, en zijn jongste dochter heeft een rijke man aan de haak geslagen. Zo rijk dat hij zich schaamt voor zijn armoedige schoonvader. En Tevje past zich ook nu weer aan: hij vertrekt naar het land Israëls.

Waarschijnlijk had Sjolem Aleichem het bij deze zeven monologen willen laten. Zijn gezondheid ging achteruit en hij begon aan zijn autobiografie (in 1999 in vertaling van Willy Brill verschenen als Het leven een roman). Toch schreef hij in zijn laatste levensjaren, die hij in Amerika doorbracht, nog twee monologen, waarin hij bitter commentaar levert op het schrikbarende Russische antisemitisme. In het land Israëls is Tevje nooit aangekomen, maar nu blijkt hij ook in zijn eigen dorp niet meer gewenst. De burgemeester komt hem zelf meedelen dat de dorpelingen een pogrom gaan houden, niet omdat ze iets tegen hem hebben, maar omdat het moet van hogerhand. Uiteindelijk stelt men zich tevreden met het inslaan van de ruiten. Maar het wordt nog erger: net als talloze andere joden moet Tevje met zijn familie vertrekken uit gebieden waar ze honderden jaren hebben gewoond.

Liedjes

Itsik Manger (1901-1969) was in zijn tijd bijna net zo populair als Sjolem Aleichem. Maar hij was uit heel ander hout gesneden. Hij was in de eerste plaats dichter. Veel nu nog bekende Jiddisje liedjes zijn van zijn hand. Hij werd geboren in het legendarische Czernowitz, een centrum van Duitstalig-joodse cultuur. Manger schreef aanvankelijk ook in het Duits, maar ging al gauw over op Jiddisj. Zijn werk is beïnvloed door de Duitse romantiek, en door de volksliedjes en verhalen uit zijn jeugd. Beroemd en geliefd werd hij vooral door zijn Choemesj-lider (1935) en Megile-lider (1936), humoristische bewerkingen van bijbelse verhalen, gesitueerd in het Oost- Europa van zijn eigen tijd. De aartsvaderen krijgen een menselijk gezicht, drinken te veel, maken ruzie met hun vrouw of zijn juist hartstochtelijk verliefd.

Iets dergelijks zien we in het mooi vertaalde Lied van het paradijs uit 1939. Anders dan de naam doet vermoeden geen gedicht maar een roman. Uitgangspunt is het joodse volksgeloof dat mensen voor hun geboorte engelen waren in het paradijs. Vlak voor hun komst op aarde krijgen ze een kneep in hun neus, waardoor ze hun vorige leven vergeten. Het engeltje Sjmoeel-Abbe Aberwo weet de kneep in zijn neus te ontlopen en herinnert zich bij zijn geboorte dus nog alles. Als baby doet hij zijn ouders en hun omgeving versteld staan met zijn verhalen over het paradijs.

Het blijkt er daar niet veel anders aan toe te gaan dan op aarde. Er zijn overspelige engelen, dronken engelen, engelenleraren die hun leerlingen slaan, en ook de grote namen uit de bijbel komen er niet best af. ‘Koning Dovid’ is nog steeds een schuinsmarcheerder en een oud en lelijk geworden Basjeve (Batseba) probeert hem nog altijd te verleiden. Naast het joodse paradijs is er een gojs paradijs waar vooral Russisch-orthodoxe antisemieten wonen, en een Turks paradijs voor de mohammedanen (die stelen). Sjmoeël-Abbe beleeft er tal van avonturen met zijn vriendje Pisjerl, totdat hij tot zijn verdriet naar de aarde gestuurd wordt.

Het boek zal voor de Oost-Europees joodse lezer vast een feest van herkenning zijn geweest, een satirisch commentaar op het dagelijks leven en de menselijke zwakheden. Voor de lezer van nu doet het gedateerd en kinderlijk aan. En terwijl Sjolem Aleichem in Tevje toont oog te hebben voor de dreigende ondergang van zijn omgeving, blijft Manger veilig binnen de kaders van de traditionele joodse wereld. Dat is des te opmerkelijker omdat hij het schreef in 1939, toen hij in Parijs verbleef, op de vlucht voor de nazi’s. Voor Manger was dit ‘onbekommerd-vrolijke’ boek, zoals hij het noemde, een laatste strohalm waarmee hij zich vastklampte aan een wereld die, zo besefte hij maar al te goed, op instorten stond.

Manger overleefde de oorlog in Londen, bracht een aantal jaren in Amerika door en stierf in 1969 in Israël, gesloopt door drank en depressies.