Ze pakken ons op zonder echte reden

Jongens van Marokkaanse komaf in Culemborg vinden dat ze geen kansen krijgen.

Luister naar de jongens en mannen ’s avonds op het plein.

Op deze woensdagavond staat een groep jongens van Marokkaanse afkomst op het voetbalveld in de Staatsliedenbuurt in Culemborg. Het zijn tieners, of ze zijn begin twintig. De oudste is 33 jaar. In de loop van de avond gaan ze naar de speeltuin. Steeds meer jongere broertjes, buurjongens en vrienden komen bij de bankjes staan. De ouderen manen ze tot stilte.

Hier kennen ze elkaar. Ze weten alles van elkaar. Ze helpen elkaar. Met het EK voetbal huurden ze een partytent en een televisie om op het pleintje te kijken. Iedereen lapte bij. Ken je die SBS-wijken, zeggen ze, die wijken waar de ouders zijn gescheiden, de dochter van veertien met iedereen naar bed gaat en de vader alcoholist is? Zo is het hier niet.

Hoe is het hier dan wel? Stel zo’n vraag en er volgen een heleboel antwoorden. De een na de ander, soms door elkaar.

„Twee jaar geleden was het misschien onrustig. Maar de politie deed een inval en pakte jongens die onrust veroorzaakten op.”

„Ze zijn ook ouder nu. Er komt een moment dat je rekeningen moet betalen, een huis wilt, een vrouw, kinderen. Dan word je vanzelf rustiger.”

„Maar de haat en het wantrouwen tegen de politie raak je niet kwijt.”

„Ik zal je een voorbeeld geven. Als een Nederlander belt en zegt: er staan Marokkanen voor mijn deur, dan komen ze meteen. Maar laatst werd een Marokkaanse jongen van twintig jaar op een scooter aangereden door een Nederlandse man in een auto. Ik heb het niet gezien, misschien sneed hij hem af ofzo, maar de man reed keihard achter hem aan en lanceerde hem een meter of vijf. Hij maakte met slippende banden een rondje en reed hem nog eens aan. We stonden er met tien, twaalf Marokkanen omheen. De agenten waren niet eens van plan de man mee te nemen. Toen begon hij – een stevige man van een jaar of dertig – te huilen en zei: ik voel me hier niet veilig. Tóén namen ze hem mee.”

„Deze jongens zijn in staat een racistische agent de hersens in te slaan. Ik zou het soms ook willen, maar ik heb te veel te verliezen. Ik heb twee kinderen.”

„Ik doe autotechniek. Ik heb bij alle garages in Culemborg gesolliciteerd. Ik werd bij de balies al weggestuurd.”

„Ik doe het eerste jaar bedrijfsadministratie. Ik solliciteerde bij de gemeente voor een stageplek, maar er was geen plaats. Drie weken later namen ze een meisje uit mijn klas aan.”

„Hij heeft betere cijfers dan zij.”

„Haar moeder kende iemand bij de gemeente.”

„Ik ben 33 jaar, voor mijn generatie was het anders. We hadden verkering met kakkers, meisjes uit de betere milieus met ouders met een inkomen van 150.000, 200.000 euro. Dat zie je niet meer. Marokkanen zijn bij voorbaat slecht. Als een Marokkaan nu verkering heeft met een Nederlands meisje komt ze uit een gescheiden gezin, of er is iets aan de hand. Ze komen niet voor niets in deze wijk wonen.”

„Wij wisten: er zijn een stuk of vijf discotheken in Nederland waar je niet binnenkomt. Of: tot twaalf uur laten ze wel Marokkanen toe, erna niet. Nu kom je nergens binnen.”

„Nu gaan we naar de Zenith in Venray.”

„Weet je wát een goed voorbeeld is: in de wijk Voorkoop was deze winter een baksteen in de deur gesmeten. De politie zocht een Marokkaanse jongen. Maar hoe kun je in het donker nu zien, of het een Marokkaan is of een Molukker? „Agenten kwamen bij me thuis voor die steen. Ze zijn ook bij jouw broertje geweest, toch?”

„We maken het zo vaak mee. Er was iemand geslagen. Kwamen ze bij mij aan de deur. De jongen die het gedaan had leek op mij. Daar kun je iemand toch niet drie dagen voor vasthouden? Ik kreeg een schadevergoeding van 300 euro.”

„Had een Marokkaan die steen in de deur gegooid? Vast wel. Er wonen hier bijna alleen maar Marokkanen.”

„Hoezo hebben die jongens in allemaal auto’s ingebroken? Ze hebben er nog maar één vast en dat is voor iets anders.”

„Er wonen hier wel dieven, maar die worden gewoon gepakt.”

„Hoe wil je anders aan geld komen? Als je geen stageplek, geen werk kunt krijgen? Ze willen er wel netjes bijlopen op straat. Hun vaders hebben echt geen geld voor nieuwe Nikes hoor.”

„Er was een jongen van bijna 15, dat was echt een professionele inbreker. Een boef. Hij brak auto’s open en belde dan de politie: als jullie snel zijn kunnen jullie me nog pakken. Als ze kwamen was hij weg. Laaiend waren ze. Op een keer, voor de Edah hebben ze hem gepakt. Met een gebroken been is hij naar het ziekenhuis in Nijmegen gebracht en van daar naar de jeugdgevangenis.”

„Ze halen alles van ons weg. We hadden een buurthuis en een pleintje. Die zijn weg. Het pleintje is al vier jaar een zandvlakte.”

„Alle buurten hebben een buurthuis. Waarom hebben wij geen buurthuis?”

„Van mijn broertje is de auto ook kapotgemaakt. Bij Marokkanen breken ze ook in. Dat vindt de politie niet erg.”

„Ik zal je nog een voorbeeld geven. Jochies op de fiets zonder licht krijgen een bekeuring in de schemering. Ik weet het: hadden ze hun licht maar moeten aandoen. Maar Nederlandse kinderen krijgen eerst een waarschuwing.”

„Weet je wat de grootste autodieven zijn? Polen, die zijn erg.”

„Gerrit Langerak schreef een brief voor bij mijn sollicitatiebrief. Nu kan ik bij een garage werken, vanaf september.”

„Hij is gelovig. Hij is eerlijk.”

„Híj praat met ons. Onder werktijd, maar toch.”

„We hadden de gemeente om 300 euro gevraagd, voor die partytent en de televisie met het EK. We kregen niets. Denk je dat ze ons een buurthuis geven?”

„Deze jongens móéten ergens heen kunnen. Nu hangen ze op straat.”

„Vroeger stond hier een wijkpost om ons in de gaten te houden. Zoiets. Maar dan voor ons. Gewoon met wat stoelen en een televisie.”

„Zie je die bloembakken hangen? 15.000 euro hebben die gekost!”

„Je lokt alleen maar uit dat ze er benzine over gooien.”

„Wij willen geen bloembakken, we willen een buurthuis.”