Tweemaal ‘dus’ of nogmaals Huizinga

Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden is de naam van een tijdschrift, dat al aan zijn 123ste jaargang toe is. Ondanks zijn omslachtige titel vindt het blijkbaar nog steeds lezers, onder wie ik. Maar misschien komt dat doordat die lezers het als lid van het Historisch Genootschap automatisch krijgen.

Mij interesseren in dit tijdschrift vooral de recensies. Die gaan weliswaar vaak over boeken die al enkele jaren tevoren zijn verschenen, maar dat hindert bij boeken over geschiedenis niet. In elk geval steek ik er veel van op. Zo ook in het laatste nummer: 2008/2.

Hierin staat een zogeheten discussiedossier: enkele historici geven hun commentaar op een boek van een collega. Deze keer gaat het over een in 2006 verschenen boek van Auke van der Woud, hoogleraar architectuur- en stedebouwgeschiedenis in Groningen: Een nieuwe wereld. Het ontstaan van het moderne Nederland. Het is vooral de discussie tussen Wessel Krul, hoogleraar moderne cultuurgeschiedenis (ook in Groningen) en Huizinga-kenner, en Van der Woud die mij interesseerde.

Die discussie gaat voornamelijk over de verhouding techniek en cultuur. Krul schrijft: „Techniek is op zichzelf waardevrij. Zij bepaalt zelf niet op welke manier zij wordt toegepast. Zij is in moreel opzicht neutraal. Dit is het grote misverstand van Huizinga en veel van zijn tijdgenoten. Zij meenden dat bepaalde technische vernieuwingen een mentaliteit in het leven riepen die vijandig was aan wat zij als cultuur beschouwden.”

Wat nu Van der Woud, volgens Krul, aan Huizinga bindt „is dat ook hij de techniek als een cultuur wil beschouwen, dus als een domein waarin morele en politieke beslissingen worden genomen. Er zijn goede argumenten om dat niet te doen. De techniek oordeelt niet over consequenties. De cultuur doet dat wel. Het is daarom beter om techniek en cultuur als twee gescheiden sferen te blijven houden. Dezelfde techniek kan voor de meest uitlopende doelen worden ingezet. Het is de cultuur die beslist over houding van deze doelen en hun relatieve waarde. Daarom kan een geschiedenis van de techniek nooit samenvallen met een geschiedenis van de cultuur.”

Aangezien ikzelf Van der Wouds boek niet heb gelezen, kan ik niet beoordelen of Kruls’ kritiek dat hij, evenals Huizinga, de techniek als een cultuur wil beschouwen, juist is. Van der Woud vindt dat, in zijn republiek, in elk geval niet. Uit die repliek op Kruls kritiek haal ik het volgende aan:

„De technische cultuur en wat ik het normale denken heb genoemd zijn niet twee soorten cultuur, ze vormen een eenheid. Mijn stelling is dat die cultuur de onze is geworden. Ik heb Huizinga (...) aangehaald om de erosie van de oude cultuur zichtbaar te maken. Het is niet juist dat ik Huizinga’s ‘conservatieve’ cultuurkritiek deel. Dat doe ik niet (...). Ik poneer in mijn boek dat er in de tweede helft van de 19de eeuw een cultuur van een heel nieuw type ontstond, een beschaving met nieuwe waarden en normen. Het ontstaan van massacommunicatie en massamobiliteit vervult hierbij een rol die vroeger de uitvinding van de ploeg en van de boekdrukkunst bij een culturele revolutie hadden.”

Vervolgens geeft Van der Woud enkele „voorbeelden die illustreren dat techniek weliswaar niet expliciet oordeelt, maar impliciet wel zeer dwingende signalen geeft. (...) Als ik probeer te begrijpen welke mutaties onze cultuur door biotechnologie, nanotechnologie en kunstmatige intelligentie nog te verwachten heeft, geloof ik dat oude wijsheden nog meer dan nu zaak van monumentenzorg worden.”

Maar tussendoor heeft Van der Woud een vraag gesteld die voor mij de eigenlijke aanleiding werd van dit artikel. Hij vraagt: „Waar ligt (...) de grens tussen een instantie die oordeelt en een instantie die laat zien wat kan en dus moet?” Het is het woordje ‘dus’ dat mij de stoot daartoe heeft gegeven. Is het moeten het dwingende gevolg van het kunnen? Móet alles wat kan? Of kan de mens heel goed ergens zeggen: stop!, zoals de Chinezen deden met het buskruit en de Byzantijnen met het Griekse vuur? Ik weet het niet. Huizinga dacht kennelijk van wel.

Dit brengt mij ertoe om, in verband met Huizinga, over een ander ‘dus’ te spreken. Op 31 januari jl. schreef ik nl. dat Huizinga „uit een doopsgezind, dus vrijzinnig geslacht” kwam. Van bevoegde zijde kreeg ik te horen dat dit ‘dus’ niet helemaal juist was. Er waren doopsgezinden die helemaal niet zo vrijzinnig waren, maar eerder rechtzinnig. Bij de Afscheiding van 1834, waarbij bepaalde groepen uit de door hen te vrijzinnig geachte hervormde kerk traden, zouden zelfs enkele doopsgezinde gemeenten in het noorden des land zijn meegegaan. (Overigens werd toen niet van ‘vrijzinnig’ maar van ‘modern’ gesproken.)

Dit is dan een correctie op een artikel waarin ik beweerde dat Huizinga het christendom alleen als zedenwet aanvaarde, maar zich niet uitliet over zijn eigen geloof. Dit schrijvende had ik vergeten dat de Leidse theoloog en Huizinga’s vriend G.J Heering al in 1948 (drie jaar na Huizinga’s dood) een boekje had geschreven over Johan Huizinga’s religieuze gedachten – als achtergrond van zijn werken.

Heering spreekt over Huizinga’s „eeuwigheids- en heiligheidsbesef”, hij haalt hem aan wanneer hij zegt: „ik erken die christelijke gedachten ten volle, maar leef er te weinig in” en spreekt over „gevoelig orgaan voor religieuze waarden” – maar dat maakt hem nog niet tot een gelovig man.

Maar toch is hij, volgens Heering, „toen de cultuur in haar ethische kern dreigde te verworden (...) een gelovig man geworden”. Zou hij dus uit ethisch-culturele motieven gelovig zijn geworden? Dat zou dan wel heel vrijzinnig zijn! Maar wél heeft hij, een paar maanden vóór zijn dood in februari 1945 en een half jaar vóór de bevrijding, elf korte gebeden geschreven, die volgens de wens van zijn weduwe nooit zijn gepubliceerd, maar waarvan Anton van der Lem in zijn Johan Huizinga. Leven en werken in beelden en documenten (1993) zegt dat Huizinga daarin „het christelijk geloof beleed”.

Waren het kreten de profundis, die in die donkere dagen zo vaak geslaakt werden – vooral in het aangezicht van de dood? Of moeten wij terugvallen op de oude volkswijsheid dat ‘nood leert bidden’? De ware gelovige bidt, neem ik aan, ook in tijden van voorspoed en geluk. Zulke gebeden zijn van Huizinga, voor zover ik weet, niet bekend.

Wilt u reageren? Mail de auteur via dezerdagen@nrc.nl of neem deel aan de discussie op nrc.nl/heldring