Tsjadiërs kiezen tussen honger en geweld

Een kwart miljoen mensen uit Darfur, de woelige regio in buurland Soedan, zijn gevlucht naar Tsjaad. Daardoor dreigen de 180.000 Tsjadiërs op de vlucht vergeten te worden.

De kampouderen luisteren aandachtig zwijgend naar Ismail Said. Hun gegroefde zwarte gelaten steken sterk af bij hun vlekkeloze witte djellaba’s. „Ik leefde goed, ik had rammen en koeien, ik leefde van de verkoop van hun melk”, vertelt Ismail Said (45), gekleed in een groene djellaba en gele slippers.

Said is een van de vijf hoofden van de 4.500 inwoners van een dorp vijftien kilometer verderop, die als groep hierheen gevlucht zijn voor de plunderaars te paard. Ruim een jaar geleden was dat. „Iedereen werd vermoord”, verklaart Said. Nu leven ze in hun zelfgebouwde opvangkamp in het dorre oosten van Tsjaad, in een woud van rieten hutten naast een eenzame waterpomp die het vaker niet doet dan wel. Van een buitenlandse hulporganisatie ontvangt iedere bewoner om de twee maanden acht kilo voedsel. „Sommigen zijn door de honger weer teruggekeerd naar ons dorp”, zegt Said. „Ook al lopen ze daar gevaar.”

Said en zijn dorpsgenoten zijn de relatief onbekenden onder de half miljoen mensen op drift in Oost-Tsjaad. De bekenden, dat zijn de kwart miljoen vluchtelingen uit buurland Soedan, de slachtoffers van de moord- en verkrachtingscampagne in Darfur die kan rekenen op westerse publiciteit, politieke verontwaardiging en navenante gelddonaties. De Darfuri’s krijgen onderdak, bescherming en voedsel van de UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties.

Said en zijn dorpsgenoten zijn ontheemden, Tsjadiërs die in eigen land op de vlucht zijn geslagen. Voor etnisch geweld van landgenoten dat in 2006 zijn hoogtepunt bereikte, en voor rebellen, bandieten en iedereen die verder profiteert van de chaos. Omdat de 180.000 ontheemden geen landsgrens zijn overgestoken, zijn ze officieel geen vluchteling. En ligt hun lot in eerste instantie niet in de handen van de internationale hulpgemeenschap maar van de armlastige en corrupte regering van de Tsjadische president Déby. Voor hen geen opvangkampen opgezet door UNHCR. Voor circa 40.000 van hen niet de dagelijkse 15 tot 20 liter water die geldt als internationale norm voor vluchtelingen. De ontheemden zijn de bijrolspelers in Oost-Tsjaad.

Tienduizenden ontheemden bivakkeren in de omgeving van Goz Beida, een gehucht in het zuidoostelijke puntje van Tsjaad. Hier ligt het kamp van het Iers-Nederlands bataljon van Eufor, de Europese militaire missie van totaal 3.700 manschappen die tot maart volgend jaar de vluchtelingen en ontheemden moet beschermen. De basis, Camp Ciara, is vernoemd naar de 22-jarige dochter van de Ierse bataljonscommandant („Ik wilde eerst de naam van mijn vrouw gebruiken”, zegt Paddy McDaniels, „maar die heet Katrina, net als de orkaan. Dat leek me toch niet zo gepast.”)

Camp Ciara ligt op een paar honderd meter afstand van het kamp waar Ismail Said en zijn dorpsgenoten proberen te overleven. „De militairen geven ons een veilig gevoel”, zegt Said.

De ontheemden mogen dan niet rechtstreeks slachtoffer zijn van ‘Darfur’, zij zijn dat wel langs indirecte weg. Said en zijn dorpsgenoten zijn Dajo’s, een stam van zwarte Afrikaanse landbouwers en veehouders die leeft aan beide zijdes van de grens tussen Tsjaad en Soedan. Duizenden Dajo’s in Tsjaad zijn de afgelopen jaren slachtoffer geworden van aanvallen door nomaden die wel uit Tsjaad komen, maar bondgenoten zijn van de Arabische ruiters die in Darfur verantwoordelijk zijn voor de meeste moordpartijen – de beruchte Janjaweed. De Tsjadische bondgenoten van de Janjaweed vallen de Dajo’s aan omdat zij vaak onderdak boden aan de vluchtelingen uit Darfur. Veel ontheemden, zoals Ismail Said, noemen hun moordende landgenoten ook ‘Janjaweed’.

De confrontaties tussen dorpsbewoners en nomaden worden versterkt door de voortschrijdende verwoestijning, onderstreept Tjarko Leungen. De commandant van de zestig Nederlandse mariniers in Goz Beida legt uit dat de Sahel steeds verder oprukt, waardoor de hoeveelheid bebouwbare grond afneemt en boeren en nomaden een krimpend leefgebied moeten delen. „Neem het Lake Chad”, zegt Leungen, wijzend op een kaart van dit meer waar miljoenen inwoners van Tsjaad, Kameroen, Niger en Nigeria hun water halen. „Dat was ooit veel groter dan Nederland. Nu beslaat het nog 5 procent van het oppervlakte van Nederland .”

De problematische verhoudingen in Oost-Tsjaad worden verder op scherp gezet door de lukrake manier waarop de ontheemden zich hervestigen. Zij bouwden de afgelopen paar jaar gewoon hun rieten hutjes in de omgeving van stamgenoten of op bebouwbare grond. Compleet nieuwe dorpen zijn zo ontstaan, wat tot wrijvingen leidt met plaatselijke bewoners van andere stammen.

8 juli kwam het tot een vechtpartij tussen Dajo’s en Moro’s in Kerfi, een gehucht bij Goz Beida. Naast dit Moro-dorp zijn vierduizend gevluchte Dajo’s neergestreken. Woedende Moro’s gingen verhaal halen nadat een Dajo een baan had gekregen bij de plaatselijke vestiging van Artsen zonder Grenzen. Er vielen twee doden, de Dajo’s ontvluchtten hun nieuwe thuis. De ontheemden ontheemd.

„Ik wil terug naar ons dorp, hier lijden we, we krijgen voedsel maar heel weinig”, zegt Huda Mhuktar, een 25-jarige vrouw met een rode hoofddoek terwijl zij probeert in de striemende regen water op te pompen in Habile. Mhuktar woont al vier jaar in dit dorp-annex-opvangkamp van ruim vijfentwintigduizend ontheemden, dertig kilometer van Goz Beida. Zij is eveneens Dajo, zij spreekt eveneens van ‘Janjaweed’ die haar dorp leegroofden en platbrandden.

Mhuktar heeft geen idee wie de blanke militairen in hun pantserwagens zijn die voorbij trekken over het modderpad dat door het kamp slingert. „Ze waren hier opeens, niemand heeft ons verteld waarom.” Doel van Eufor is om de veiligheid voldoende te vergroten voor de vluchtelingen en ontheemden om te kunnen terugkeren naar hun dorpen. De Europeanen is de toegang tot de kampen ontzegd door UNHCR en ngo’s, die niet geassocieerd willen worden met militairen. Eufor kan de kampbewoners dus niet vertellen of hun dorpen veilig genoeg zijn.