Republiek is opgericht door een moordenaar

Radovan Karadzic begon zijn etnische zuiveringen rond Prijedor, Noord-Bosnië.

Voor lokale Bosnische Serviërs blijft hij een held.

In de straten van Kozarac, vlak buiten Prijedor in Noord-Bosnië, klinkt snoeiharde muziek. Er worden tien bruiloften tegelijk gevierd. Auto’s uit Nederland, Zweden en Zwitserland, landen waar veel Bosniërs tijdens en na de oorlog werden opgevangen, staan dubbel geparkeerd voor de restaurants. Muharem Murselovic flaneert met zijn echtgenote, een charmante dame van in de 50. „Nu is het feest, maar morgen staan we met z’n allen weer op de begraafplaats”, zegt Murselovic.

De afgelopen maanden werd de identiteit bekend van slachtoffers die in de buurt werden opgegraven. „We blijven zoeken. Dit keer gaat het om zeventig mensen die sinds 1992 werden vermist. Het wordt een collectieve begrafenis, zoals we er jaarlijks minimaal twee organiseren.”

Murselovic, een Bosnische moslim, is lid van het parlement in de Servische Republiek in Bosnië. Met het Dayton-vredesverdrag in 1995, dat een einde maakte aan de oorlog, werd Bosnië opgedeeld in een moslim-Kroatische federatie en een Servische Republiek. Beide entiteiten hebben verregaande politieke autonomie, maar staan onder internationaal toezicht.

In de regio rond Prijedor werden na de oorlog de meeste massagraven gevonden. In deze thuisbasis van Murselovic begon in 1992 de campagne van de Bosnisch-Servische leider Radovan Karadzic, president van de Bosnisch-Servische republiek. Eerst werden de moslims massaal ontslagen. In de lokale media begon een antimoslimcampagne. Met ingang van de lente waren de contouren van Karadzic’ ‘masterplan’ haarscherp: uitroeiing van de Bosnische moslims.

Murselovic: „Sommigen werden bij de voordeur meteen neergeschoten. De meesten werden afgevoerd naar de kampen in de buurt, naar Omarska, Keraterm of Trnopolje.” Zelf belandde hij in Omarska, een gevangenkamp op het terrein van een mijnencomplex, in allerijl opgezet door een Servische anesthesist van het plaatselijke ziekenhuis.

In juli 1992 gingen beelden van Omarska de wereld over, nadat Karadzic westerse journalisten had uitgenodigd om te komen kijken. „Het was een show”, zegt Murselovic. „Jullie zagen beelden van de laatste groep gevangenen. Maar in de weken ervoor was het kwaad al geschied. Ik heb met eigen ogen gezien hoe ruim zevenhonderd mannen werden gemarteld en gedood. Vrouwen werden verkracht. Iedere nacht kwam een geel bestelbusje de lijken ophalen.”

Zelf overleefde hij. „Ik had geluk. Ze kwamen tijd tekort. Ik werd afgevoerd naar een ander kamp in Manjaca, waar ik ben weggehaald door het Rode Kruis.” In 1996, na zijn terugkeer in Prijedor, werd Murselovic actief in de moslimpartij voor Bosnië. In de door Serviërs gedomineerde Republiek vertegenwoordigt hij een minderheid – moslims bekleden acht van de 83 zetels in het parlement.

De arrestatie van Karadzic doet Murselovic weinig. Zestien jaar na het begin van de oorlog komt de aanhouding te laat. „Ik ben blij dat ‘het brein’ eindelijk wordt gestraft. Maar het heeft te lang geduurd. In al die jaren hebben de Serviërs verder kunnen bouwen aan hun Servische Republiek die het product is van genocide.”

Een paar kilometer verderop, in het volledig door Serviërs bewoonde Omarska, zijn vroeg in de avond de meeste lichten al gedoofd. In de pizzeria, pal naast het mijnencomplex, drinken Nebojsa en Adrijana Gavramovic, begin dertigers, een laatste biertje. „De moslims klagen dat ze worden gediscrimineerd en dat ze geen baan kunnen krijgen in de Republiek”, zegt Adrijana. „Maar voor ons geldt hetzelfde. Er is geen werk.”

De ertsmijnen van Omarska kwamen vier jaar geleden in handen van de Brits-Indische staalgigant Mittal. De sporen van het gevangenkamp zijn uitgewist. Een monument voor de slachtoffers is er niet gekomen, ondanks pogingen van moslimpolitici. Wat rest, als schrale troost, is de biecht van de Servische anesthesist, de toenmalige commandant in het Omarska-kamp, die als verdachte van oorlogsmisdaden voor het Joegoslavië-tribunaal de gruwelen terugblikkend ‘collectieve waanzin’ noemde.

Maar in de pizzeria willen ze van die kwalificatie niets weten. „Het Westen heeft de leugens van de moslims geslikt. Hier is geen genocide gepleegd”, zegt Ranko Pusac, een gepensioneerde arts. „Karadzic is dichter, psychiater, een ontwikkeld man. Een humanitaire held.” Natuurlijk kennen ze afgevaardigde Muharem Murselovic allemaal. „Bosnië is klein. Ons kent ons”, zegt Pusac. „Dat Murselovic de Republiek het product van genocide noemt is het zoveelste bewijs van hoe groot hun haat is.”

Murselovic maakt zich de volgende ochtend in Prijedor op voor zijn zoveelste begrafenis. „Duizenden moslims uit de omgeving worden nog altijd vermist, dit is zeker niet de laatste.” Sinds de arrestatie van Karadzic bespeurt hij angst onder de Servische politici in de Republiek. Al twee etmalen domineert premier Milorad Dodik de regionale nieuwsuitzendingen met de boodschap: Laat niemand uit de arrestatie van Karadzic de hoop putten dat de Servische Republiek zijn bestaansrecht verliest.

Die hoop koestert Murselovic juist als nooit tevoren. Met het Dayton-akkoord is een bestuurlijk monster gebaard, zegt hij. „Ik ben lid van een parlement van een Republiek die geworteld is in het kwaad en opgericht door een massamoordenaar. Een entiteit die ik moet liefhebben terwijl ik hem haat. Dat is mijn paradox.”

Reconstructie van de val van Srebrenica: nrcnext.nl/links