Ik was dertien. Dat ik niet bang was voor die man

Twee auteurs keren terug naar de Nederlandse vakantiebestemmingen uit hun jeugd.

Vandaag: 1983. De lange, lange reis naar Vlieland.

Zoals sommige reizen in de loop der jaren korter worden, zo blijft de reis naar Vlieland lang.

Vanaf station Leiden moet je naar Alkmaar. Vanaf Alkmaar ga je verder met de bus naar Harlingen. De bus moet aansluiten op de veerboot (die maar drie keer per dag vaart) en na vijf en een half uur ben je er.

Ik vermoed dat mijn broer en ik vroeger helemaal tot aan Vlieland werden gebracht. Of dat we meegingen met Hannemieke, bij wie we op het eiland logeerden.

Hannemieke had connecties met de jongens van de bolderkar; de kar die met een paard ervoor de bagage van alle campings over het eiland trok en die nog steeds bestaat. Ik heb nog een ochtend meegereden op die bolderkar. Met een jongen wiens naam ik me niet herinner. Wel herinner ik me zijn lijf, gedrongen en sterk, en vooral zijn nek. Hij was maar een paar jaar ouder dan ik, maar zijn nek was twee keer zo dik.

Alleen de dokter van Vlieland had toen een auto. Later kwam er ook een traumahelikopter voor zowel Vlieland als Terschelling bij, maar die stond tot mijn broers teleurstelling meestal op Terschelling.

Vlieland was vrijheid. Dicht achter Hannemieke aan en in precies hetzelfde ritme als zij – ik had in die tijd een ‘ganzepas’-obsessie – naar de Spar en daar mochten we helemaal zelf onze chips uitzoeken.

We mochten ieder één zak chips voor de hele week en we mochten zelf bedenken of we die in een keer opaten of over de week verdeelden.

Ik stond voor al die schappen met chips en wist gewoonweg niet welke ik het lekkerste vond. Dat was een schokkende ontdekking. Hoe kon ik dat nou niet weten? Dat was hetzelfde als ergens geen mening over hebben. Ik had op school geleerd dat een mening belangrijk was, maar ik vond heel vaak niets. Daar maakte ik me ook al zorgen over.

Mijn broer wist van mijn onzekerheden en oefende met me.

„Welke vind je het lekkerste?”

„Weet ik niet.”

„Welke vind je het mooiste?”

„Het mooiste?”

Later ben ik overigens geheel van mijn mening- en smaakloosheid genezen. Ik weet tegenwoordig bijna altijd wat ik vind en al helemaal wat ik lekker vind. Als ik me nu dus loop op te winden denk ik aan chips. Dat kalmeert.

Er is nog iets met Vlieland. Ik ben onderweg naar Vlieland mijn eerste onbekende held tegengekomen. Ik denk dat ik twaalf of dertien moet zijn geweest en ik maakte de tocht voor het eerst alleen.

Doodzenuwachtig was ik en bovendien een dik half uur te vroeg op het busstation van Alkmaar.

Ik wist welke bus ik moest hebben en ik stond klaar bij de halte, strippenkaarten in de aanslag.

Toen de bus eindelijk kwam en ik de buschauffeur vertelde waar ik naartoe moest, zei hij: „Ik ben een stopbus, je kunt veel beter de Expres nemen. Die komt over een kwartiertje.”

Ik aarzelde, zelfs met een trage bus zou ik op tijd zijn, maar zo’n buschauffeur had autoriteit en ik vermoedde dat ik niet van stopbussen hield. Dus ik liet de bus gaan en zette het opnieuw op een wachten.

Na een kwartier uur was er geen snelbus. En na nog een kwartier ook niet. Ik vervoegde me in lichte paniek bij het informatiehok.

De dienstdoende meneer achter de balie raadpleegde zijn bustijdenboek en zei: „Maar het is nog geen hoogseizoen, er rijdt helemaal geen sneldienst.”

Ik denk dat op dat moment de tranen in mijn ogen sprongen. „Maar die buschauffeur zei van wel.”

De man achter de balie keek ongelovig.

Ik knikte heftig.

De buschauffeur werd opgeroepen en ik kon horen hoe hij luid krakend „ja stom sorry”, zei.

Ik probeerde te bedenken wat ik nu moest doen. Het was de laatste boot naar Vlieland, er was geen nieuwe bus en mijn hele leven al ben ik slecht geweest in het terugkeren in mijn eigen voetsporen – vandaar misschien mijn obsessie voor de voetsporen van anderen.

Ook de man wist het niet. Hij kwam zijn hokje uit.

„Wat nu?”

Ik zag wel dat het geen echte vraag was.

Zo stonden we samen even te zwijgen. Achteraf heb ik weleens gedacht, jezus, ik was dertien ofzo, dat ik niet bang was voor die man. Maar dat was ik niet.

De man liep weer naar binnen en ik zag hem even met zijn collega’s smoezen.

Toen kwam hij terug en zei: „Ik breng je.”

Hij reed me in zijn eigen auto over de afsluitdijk naar Harlingen.

Mijn eerste onbekende held.

Op het nippertje haalde ik de boot. Achter mij werd de loopplank opgetrokken, ik had niet eens tijd om te zwaaien. Daarna liep ik door de rookruimte – die toen nog het hele schip besloeg – naar het bovendek. Het waaide al behoorlijk. Ik ging bij de reling staan en concentreerde me op het laatste deel van de reis.

De meeste kinderen weten het: het is, ook als het stormt en regent en de hagelstenen op je hoofd kletteren, de bedoeling dat je altijd op het bovendek blijft staan. Daar hang je over de reling, voel je het opspattende water en kijk je naar de boot die het water doorklieft. Dat is wat varen is.

Ben je eenmaal de haven uit dan is het van belang tegen de wind in te leunen. Je spreidt je armen, voelt de weerstand, doet je ogen dicht en vliegt.

Zo simpel is het.

De kou verdwijnt, je botten en je gemoed worden licht als de veren van de meeuwen.

Pas als je bij de Vliestrook bent doe je je ogen weer open. De Vliestrook is wat ruwer dan de rest van de Waddenzee en er liggen soms zeehonden op de zandplaat. Als je die ziet, heb je de hele vakantie geluk en ik zag ze natuurlijk, met mijn dertien jaar.

Eenmaal aan wal werd ik stevig omhelsd door Hannemieke.

„Je bent helemaal blauw”, riep ze. „En nat.”

Ik hoop dat ik als antwoord „dat vind ik lekker”, heb gebibberd.