De stevige, stoere, en eerlijke pannekoek

Festivals zijn geweldig, maar Lowlands is anders.

Niet vanwege de bands, maar vanwege het Lowlandsgevoel. Wat is dat?

Soms krijg je een hand van iemand, kijk je naar zijn pols en zie je daar een paar stoffen, gerafelde bandjes omheen, in verschillende kleuren, maar stuk voor stuk bij elkaar gehouden door een platgeslagen stuk metaal.

Dan weet je: ah, een Lowlandsganger.

Wanneer je als festivalorganisator kunt rekenen op bezoekers die het hele jaar lang hun liefde voor je festival uitdragen, heb je het voor elkaar.

Lowlands heeft het voor elkaar. Er staat dit jaar slechts één act op Lowlands die Ahoy kan vullen (Anouk), maar het festival is al uitverkocht. De Belgische tegenhanger Pukkelpop heeft stadionband Metallica, maar daar zijn nog kaarten voor.

Lowlands verkoopt niet uit op bands, maar op het festival. Naar Pukkelpop ga je voor Metallica. Naar Lowlands voor Lowlands.

Een paar jaar geleden was ik drie dagen op Pukkelpop, en vervolgens de zondag op Lowlands. Pukkelpop had dat jaar een sterker programma. Ze hadden zelfs Guns ’n Roses, die nummers speelden van het ook toen al jaren zeer binnenkort te verschijnen album Chinese Democracy.

Prima festival, dat Pukkelpop. Maar toen ik na drie dagen het Lowlandsterrein opliep, wist ik wat ik had gemist. Namelijk: alles wat geen band is.

Aankleding. Mooie tenten, fraaie decors. Cabaretiers. Theater. Schrijvers. Straatmuzikanten, waar je naar kijkt als je even niet bij een band staat. Überhaupt het idee dat dat mag, iets anders doen dan naar bands luisteren. Eten, bijvoorbeeld. Op sommige festivals lijkt eten nog steeds gelijk te staan aan het leggen van een bodem voor bier, bier en nog meer bier. Dus krijg je er geen voedsel, maar vreten. Kindermenu’s voor volwassenen.

Het aanbod op Lowlands is dat van een gemiddelde stad anno 2008. Salades, vers fruit, vegetarische keuze. Ook de prijzen zijn als die in de stad, is de kritiek. Dat klopt. Maar goed, iedere festivalganger weet: na een festival sta je rood.

Geen pannekoek bovendien zo goed als de Lowlandspannekoek. Het is geen vermomde flens, geen te grote poffer, maar een stevige, stoere, eerlijke pannekoek.

Natuurlijk had Lowlands vroeger nog scherpere randjes op dit gebied (een eenpersoonsrestaurant van Pierre Wind zal je er tegenwoordig niet meer aantreffen) en zijn die gezichtsbepalende tenten al lang niet meer uniek voor het festival, maar Lowlands was ooit in Nederland de pionier onder de festivals, en heeft daarmee krediet opgebouwd. Meer nog dan bij het veel veiliger programmerende en traditioneel opgezette Pinkpop heeft dat loyaliteit opgeleverd, en traditie. Naar sommige festivals ga je omdat je er vorig jaar ook heen ging.

Heeft een festival geen traditie, of doorbreekt het die, dan gaat het om het programma en niets dan dat. Fields of Rock had dit jaar geen grote namen, en werd dus afgelast vanwege een dramatisch slechte voorverkoop. Bij een gelegenheidsfestival zijn het wel degelijk de bands die het festival maken – of, zoals hier, breken. De geboekte bands werden allemaal ergens anders ondergebracht, waardoor de Sex Pistols nu op Lowlands staan – meteen ook de meest bevreemdende naam van het affiche, want een die naar een (ver) verleden verwijst.

Lowlands gaat juist vrijwel nooit om gisteren, maar om de bands van vandaag en die van morgen. Het festival lijkt grappig genoeg toch zowel de early adapters onder het concertpubliek te trekken, als een groep mensen die eigenlijk niet van festivals houdt. Want die bestaan.

Dat zijn mensen die bijvoorbeeld naar een festivalaffiche kijken en denken: „Ik ken die bands niet, dus ik ga ook maar niet.” Bij Lowlands is het onmogelijk niet een paar bands toch te kennen, er staan er namelijk ontelbaar veel op het affiche.

Bovendien is een festival de meest laagdrempelige manier om nieuwe bands te leren kennen. (Er bestaan natuurlijk ook mensen die ook dat niet willen. Daarvoor is er ook een festival: Arrow Rock.) Niet alleen omdat je een tent net zo gemakkelijk uit- als inloopt. Maar ook omdat bands op festivals doorgaans anders spelen.

Al zal menig artiest hardop zeggen dat het net zo belangrijk is alles te geven voor 184 betalende bezoekers in de Bukbuk in Heilo als voor een volle tent op Lowlands, dat is niet zo. Om puur getalsmatige redenen: wanneer je op Lowlands op je bek gaat, zien veel meer mensen dat, en wanneer je glorieert eveneens. Maar ook om andere. Iedere artiest kent collega’s die op festivals doorbraken. Als je een festivalweide platspeelt in de zomer, kun je in het najaar doorgaans rekenen op volle clubs. Van een groot festival hangt meer af. Dat weten artiesten, en daarom zijn festivaloptredens vaak anders dan clubshows.

Niet noodzakelijk beter, vaak niet zelfs. Het geluid is meestal slechter, het optreden korter, de set populistischer. Maar wel spannender, meer bezeten. De spanning is zichtbaar en hoorbaar. Er moeten zieltjes worden gewonnen, nieuw terrein veroverd, de competitie met andere bands gewonnen. Festivals maken artiesten eager. En het publiek wordt dat, eenmaal op het terrein, vaak ook: je wilt niet op Lowlands zijn en een legendarisch optreden missen omdat je falafel stond te eten. Hier treden de bands op die volgend jaar op Pinkpop staan. Popsnobs kunnen hier het fundament onder hun ‘Ik vond ze vroeger beter’ leggen.

Er is nog een andere reden waarom sommige mensen niet van festivals houden, en dat is het kamperen. En inderdaad, gemeten naar bijna iedere maatstaf van beschaving is een festivalcamping verschrikkelijk. Maar met het kamperen op een festival is het als met een ontgroening: de opbrengst zit ’m in het delen van de ontberingen. Ik heb op Pinkpop ooit een nacht wakker gelegen omdat een paar tenten verderop iemand onophoudelijk een weerwolf imiteerde. Dat viel niet mee, maar voor vele anderen ook niet, dus tijdens het tanden poetsen onder dezelfde kraan waar mijn buurman de elleboogjesmacaroni uit zijn pan schraapte, hadden we het er nog over.

Allemaal van een zeer valse (want tijdelijke), maar niettemin aanstekelijke romantiek. Op Pinkpop was het bindende effect hiervan in het verleden het meest duidelijk, omdat daar op Pinkstermaandag opeens het aantal bezoekers verdubbelde. Daar kwamen ze, de dagjesmensen, met hun frisse hoofden en hun fudge-haren, de kleren en het schoeisel nog stofvrij. Voor de mensen die er al twee dagen rondliepen was hun komst een invasie van opportunisten. Die heb je op Lowlands niet. Wie hier is, is hier drie dagen. Hoe verschillend ook, wanneer het gaat om toewijding, zijn hier gelijkgestemden onder elkaar.

Bovendien, voor een festivalcamping is die van Lowlands nog wel te doen. Er zijn douches en daar komt warm water uit. Niettemin: festivalweide en smetvrees gaan niet samen. Dus voor wie zijn eigen toilet als de maat der dingen beschouwt, is de enige troost dezelfde als die van degenen die te laat waren voor een kaartje: het komt ook op tv.

Leon Verdonschot is dj bij onder andere Kink FM en schrijft boeken en artikelen over muziek. Onlangs verscheen ‘De beste muziekverhalen van 1945 tot nu’ een bundeling artikelen door hem samengesteld.

Fokke & Sukke