Andijviestamppot

In het buurdorp staat een supermarkt. Het dorp is, althans de oude kern, nogal mooi – een schitterende 15de-eeuwse kerk, een 17de-eeuws poortgebouw, renteniersvilla’s en kleine oplopende straatjes met rode, bakstenen arbeidershuisjes die nu heel liefhebbend bewoond worden. De supermarkt lijkt daar als een soort ufo in neergedaald. Rechthoekig, schelle kleuren, parkeerterrein. Toch erger ik me er nauwelijks aan, het ding stond er immers al toen ik hier kwam wonen en het is een prettige supermarkt en ook nog eens vlakbij – op het platteland ga je anders aankijken tegen voorzieningen. Die zijn daar niet vanzelfsprekend en elke winkel vervult je dientengevolge met dankbaarheid.

Had je al wel in het dorp gewoond toen de supermarkt er kwam, dan had je je heel anders gevoeld. Verwoesting! Alles is nu verpest! Zulke kreten zouden ongetwijfeld uit mijn mond, en niet alleen de mijne, vernomen zijn. En als ik toen m’n zin had gekregen, had ik nu lang niet zo makkelijk boodschappen kunnen doen.

In de roman De afslag beschrijft Sander van Walsum een dorp in de jaren zestig, waar de vooruitgang met hoge snelheid aan komt rollen. Boerderijen verdwijnen, nieuwbouw verschijnt, de eerste supermarkt verdringt de bestaande kruidenier. De onderwijzer die de hoofdpersoon is, en die zelf dagelijks met de auto uit Deventer komt, ziet het allemaal met lede ogen aan, maar veel dorpsbewoners zijn blij. „Echt Joost, we zitten hier niet in een boerderijtje om de mensen uit de stad te plezieren, maar uit bittere noodzaak. Maar als die noodzaak er niet meer is, weet ik niet hoe lang ik dat nog wil”, zegt de eigenaar van een idyllisch keuterboerderijtje.

De onderwijzer begrijpt dat wel, maar dat neemt niet weg dat hij de wansmaak van de vooruitgang maar moeilijk kan verdragen. Je kunt de mensen niet arm en ellendig wensen, omdat de aanblik zo pittoresk is, of omdat ze dan ‘hun plaats kennen’ of omdat jij je dan, als stadsbewoner, kunt laven aan hun manier van leven.

Wat het eten betreft zou je trouwens direct hartelijk vóór de vooruitgang zijn. De boer met zijn verdwijnende boerderijtje eet ’s avonds boterhammen. We weten niet wat hij ’s middags krijgt. ‘Warm eten’ waarschijnlijk. Daar hoef je je ook niet al te veel van voor te stellen.

De supermarkt hier in het dorp verkoopt gember en rode pepers en Thaise currypasta. Als dat geen vooruitgang is! Toen ik de schilder over de vloer had en ik ’s middags al wat aan het koken was, riep hij van de zolder: „Mmm! Ik ruik basmati rijst!”

Dat zal trouwens wel de reden zijn waarom de ware voedselfanaten zich al jaren geleden weer op de streekproducten en het seizoenseten gestort hebben. Als iedereen een Thaise rijstschotel maakt, dan gaan wij weer lekker bietjes eten en een verrukte kop trekken bij andijviestamppot met varkenskarbonade. Maar dan komen de aardappelen en de andijvie wel uit eigen tuin of van een onbespoten boer, we gebruiken kruimige aardappels voor de puree, we koken de melk eerst, we hebben een pureeknijper, we sparen de boter niet en uiteraard komen de karbonaadjes van de tevredenste varkens die we hebben kunnen vinden – daar rijden we gerust een half uurtje voor om. Milieubewust als we zijn.

Fijn, als je tot de klasse hoort die het altijd allemaal zo lekker weet.