Wandelende minstreel Apap speelt aanstekelijk

Concert Gilles Apap (viool) en The Colors of Invention. Werken van o.a. Mozart, Ravel en De Falla. Gehoord: 22/7 Concertgebouw, Amsterdam.

Op de posters stond hij slechts met zijn naam aangekondigd. Maar violist Gilles Apap is in Nederland blijkbaar (nog) niet bekend of populair genoeg om alleen daarmee de Grote Zaal van het Concertgebouw te vullen. Zijn optreden in de Robeco Zomerconcerten – zijn Nederlandse debuut – moest dus worden verplaatst naar de Kleine Zaal, die daarmee wel meteen een ‘uitverkochte’ indruk maakte.

Toch is het vreemd dat het niet stormliep bij het Concertgebouw. Apap, geboren in Algerije en getogen en geschoold in Frankrijk, is een violist die grenzen tussen genres overschrijdt. Hij zou ook hier een groot publiek moeten kunnen aanspreken met zijn toegankelijke bewerkingen van bekende klassiekers, aangevuld met volksmuziekinvloeden. Op YouTube is zijn eindeloos on-Mozartiaans uitweidende cadens in het Derde vioolconcert van Mozart bijvoorbeeld een grote hit.

Zijn begeleidingsensemble, met een naam die geleend is van Frank Zappa’s Mothers of Invention, zou het goed doen als straatmuziekensemble: accordeon, contrabas en cimbaal. Ook Apap zelf heeft wel iets van een straatmuzikant: een vlotte babbel, oog voor entertainment en talent voor effectief schmieren. Muzikaal is hij bovendien van allerlei markten thuis. Een riedel barok, een mopje Mozart en Bulgaarse volksmuziek: hij draait nergens zijn hand voor om, al is het ook niet allemaal het beste van het beste.

Sommige bewerkingen bleken bovendien geslaagder dan andere: van de prelude uit Ravels Tombeau de Couperin bleef weinig méér over dan wat schimmig aan- en uitzwellend gepriegel, maar enkele delen van De Falla’s La vida breve kregen een aanstekelijke nieuwe gedaante met een energiek doorstomende baslijn.

Apap zat nu eens met gekruiste benen nonchalant achteroverleunend te spelen, en liep dan weer als een minstreel in het rond. Zijn spel was wisselend. Soms imponeerden zijn ranke toon en souplesse, maar regelmatig blufte hij zich ook door razendsnelle arpeggio’s heen door ze onhoorbaar zacht te spelen (‘Winter’ uit Vivaldi’s Vier jaargetijden).

Zijn begeleiders schikten zich over het algemeen in hun ondersteunende rol, al deed cimbalist Ludovit Kovac in een overrompelend snelle Balkansolo toch even twijfel ontstaan over de vraag wie nu de échte virtuoos op het podium was.

Apap leek dat niet te deren. Na drie wat voorspelbare toegiften was zijn positie als bandleider weer veiliggesteld. Hij refereerde nog een paar keer met mild cynisme aan de verplaatsing van zaal. Begrijpelijk, maar eigenlijk was het zo gewoon beter.