Proces mag geen slopende zaak worden

Het Joegoslavië-tribunaal moet zich concentreren op de ernstigste feiten in de beschuldigingen tegen Karadzic, betoogt P.H. Kooijmans.

Aan de vooravond van Kerstmis 1991 bevond ik mij met een verzoeningsmissie van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) in Sarajevo. Alhoewel het geweld in Kroatië al was losgebarsten, lag de hoofdstad van Bosnië-Herzegovina erbij als de spreekwoordelijke kerstkaart: flonkerend tussen de besneeuwde bergen. Wij spraken daar met de vertegenwoordigers van de verschillende etnische groeperingen. De woordvoerder voor de Bosnische Serven was een man met een woeste haardos. Maar ik was meer getroffen door zijn woeste oogopslag en door de haat in zijn stem als hij sprak over de medebewoners van zijn land, de moslims en de Kroaten. Drie maanden later prijkte zijn portret op de voorpagina’s van alle kranten en kende iedereen zijn naam: Radovan Karadzic. Het Bosnische Armageddon was begonnen. Daar kwam ruim drieëneenhalf jaar later formeel een einde aan bij de Dayton-akkoorden van november 1995. Ruim daarvoor (op 25 juli 1995) was de leider van de Bosnische Serven reeds in staat van beschuldiging gesteld door het in mei 1993 opgerichte Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië. Bijna op de kop af 13 jaar na de uitvaardiging van het arrestatiebevel is deze (met zijn kompaan Ratko Mladic) ‘meest gezochte’ verdachte van oorlogsmisdaden dan eindelijk gearresteerd.

Wat hem ten laste wordt gelegd is niet mis: genocide, moord, deportatie, het uitoefenen van terreur tegen de burgerbevolking, het nemen van gijzelaars, het opzettelijk vernietigen van steden en dorpen et cetera, et cetera. Van alles wat er aan onmenselijks van Bosnisch-Servische zijde werd aangericht was Karadzic de architect en bouwmeester.

Opgetogenheid en opluchting alom, en terecht. Allereerst natuurlijk bij de slachtoffers en hun nabestaanden. Eindelijk kan het recht zijn loop nemen of – wat misschien nog wel belangrijker is – kan recht gedaan worden aan hun onbevredigde rechtsgevoelens. Men kan als buitenstaander niet navoelen hoe frustrerend en grievend het voor hen geweest moet zijn dat juist de aanstichters van het kwaad er voortdurend in slaagden zich aan berechting te onttrekken. Met de arrestatie van Milosevic in 2001 en die van Karadzic nu is in ieder geval aan die frustratie een belangrijke grond ontvallen. Maar de opgetogenheid en opluchting bij slachtoffers en nabestaanden doet weinig af aan de pijn en het verdriet, veroorzaakt door wat in de periode van 1992 tot 1995 is geschied. En zij zullen de vraag blijven stellen die op dit moment ons allemaal bezighoudt: waarom moest het allemaal zo lang duren? Maar voor hen is het antwoord op die vraag veel belangrijker dan voor ons, omdat voor hen die lange duur een teken was van onverschilligheid van de buitenwereld.

Opgetogenheid en opluchting natuurlijk ook bij het Joegoslavië- tribunaal. De achtereenvolgende openbare aanklagers hebben zich met alle middelen – variërend van stroop tot azijn – ingezet om de medewerking van zowel de NAVO- en EU-strijdmachten in Bosnië als van de autoriteiten in Belgrado te krijgen bij de arrestatie van de voortvluchtige verdachten; zij deinsden er daarbij niet voor terug van tijd tot tijd de vraag te stellen of de betrokkenen wel écht voortvluchtig waren dan wel bescherming genoten van hogerhand (en waar die hand zich bevond lieten zij soms duidelijk doorschemeren, hetgeen niet bijdroeg aan hun populariteit bij bepaalde regeringen).

Het is de vraag of wij ooit exact zullen weten wat er zich achter de schermen heeft afgespeeld. Hoe kon openbaar aanklager Carla del Ponte met uiterste precisie de datum van 29 juni 2004 aangeven als de dag waarop Karadzic zou worden overgedragen aan het Tribunaal, en waarom gebeurde er niets op die dag? Hoe kon Karadzic in alle openheid een eerzaam beroep uitoefenen in Belgrado – weliswaar onder een andere naam en met een ruim bemeten gezichtsbeharing – zonder dat de autoriteiten er weet van kregen? Iedere andere zware crimineel kan van zo’n situatie alleen maar dromen.

Maar voor het Tribunaal is die vraag niet langer relevant. Er doet zich nu een veel dringender vraag voor: hoe te voorkomen dat het proces tegen Karadzic eenzelfde never ending story karakter zal krijgen als het proces tegen Milosevic? Vriend en vijand zijn het er over eens dat dat proces veel te gedetailleerd was en procedureel al te zeer uitgesponnen. Vereist de gerechtigheid, in wier naam het Tribunaal opereert, niet – evenzeer als het vereist dat een proces zorgvuldig wordt gevoerd – ook dat het binnen een gepaste tijd tot een resultaat leidt? Als ik deskundigen voor de radio hoor zeggen dat toch wel op een tijdsduur van tenminste 4 à 5 jaar moet worden gerekend, bevangt mij een zekere huiver. Die huiver heeft niet zozeer betrekking op het feit dat ik vrees dat de ‘story will never end indeed’, zoals in het geval van Milosevic, maar op mijn beduchtheid dat het geduld van slachtoffers en nabestaanden dan wel erg op de proef wordt gesteld. Justice delayed is justice denied, en het uitstellen van het doen van gerechtigheid duurt al bijna ondraaglijk lang – al kan dat het Tribunaal niet verweten worden; maar het Tribunaal dient er wel op toe te zien dat het niet onnodig langer duurt. De tenlastelegging is uiterst omvangrijk. Laat het Tribunaal zich op de ernstigste onderdelen daarvan concentreren; een eventuele veroordeling op die gronden garandeert al een langdurige straf.

Opgetogenheid en opluchting ook bij de politiek. Ik beperk mij hier tot de reacties binnen de Europese Unie, waar de problematiek rondom het aanhalen van de banden met Servië de laatste tijd een zaak van eerste orde is. Nu er in Belgrado een regering is waarvoor de toetreding tot de EU topprioriteit lijkt te hebben, blijkt de druk tot medewerking met het Tribunaal, die onder de vorige tot op het bot verdeelde regering tot niets dan frustratie leidde, opeens effect te hebben. Al vóór de vorming van die nieuwe regering, maar wel na de voor de pro-Europeanen gunstig verlopen verkiezingen, werd één van de andere vier voortvluchtige hoofdverdachten, Zupljanin (verdacht van de etnische zuivering in de Krajina), aangehouden en op 21 juni overgedragen aan het Tribunaal. Een maand later volgt de arrestatie van Karadzic. Het lijkt daarom de aangewezen weg de druk op de ketel te houden totdat ook de resterende twee, Mladic en Hadzic, de tocht naar Den Haag hebben ondernomen.

In dat opzicht ben ik niet helemaal gerustgesteld door de reactie van de voor de contacten met Servië verantwoordelijke eurocommissaris Olli Rehn. Hij wekte de indruk dat nu op volle kracht verder gewerkt kan worden aan de uitwerking van een associatie-akkoord van Servië met de Unie. Er lijkt nog een schone taak te zijn weggelegd voor minister Verhagen, die de afgelopen maanden al een vrij eenzame strijd heeft gevoerd (alleen gesteund door België) om Servië alleen de gewenste uitzichten op integratie te bieden als het zich daadwerkelijk aan zijn verplichting om met het Tribunaal samen te werken houdt. Die houding, waarvoor hij wijd en zijd is bekritiseerd en die hij door de grote druk ook niet helemaal heeft kunnen volhouden, lijkt niettemin te hebben geloond. Het siert hem dat zijn opgetogenheid over de arrestatie van Karadzic wat meer geclausuleerd was dan die van Rehn: eerst maar eens kijken wat er met Mladic gebeurt. Het is te hopen dat het politieke hoofdstuk van Serviës samenwerking met het Tribunaal op afzienbare termijn kan worden afgesloten. Dat andere restant van het Joegoslavische drama, Kosovo, zal nog voor genoeg hoofdbrekens zorgen.

Prof.dr. P.H. Kooijmans is rechter bij het Internationaal Gerechtshof. Hij was minister van Buitenlandse Zaken in 1993-94.

Rectificatie / Gerectificeerd

Correcties en aanvullingen

Kooijmans

Onder het artikel ‘Proces mag geen slopende zaak worden’ (Opinie, 23 juli) stond dat de auteur, prof.dr. P.H. Kooijmans, rechter is bij het Internationaal Gerechtshof . Hij heeft deze functie bekleed van 1997 tot 2006.