Overheid hield CIA-kwestie bewust geheim

De Nederlandse overheid heeft in 2004 de uitzetting van een in Den Haag gevestigde ‘station chief’ van de Amerikaanse inlichtingendienst CIA bewust buiten de publiciteit gehouden.

Dat schrijft minister Ter Horst (Binnenlandse Zaken, PvdA) in antwoord op vragen van Tweede Kamerleden Kuiken en Van Dam (beiden PvdA). „Vanwege een verder goede samenwerking tussen CIA en AIVD is er geen ruchtbaarheid gegeven aan deze kwestie.”

De zaak kwam dit voorjaar alsnog in het nieuws door een publicatie in De Telegraaf. De krant meldde dat de CIA’er betrokken was geweest bij acties waarvan de Nederlandse AIVD niet op de hoogte was. Het zou gaan om het volgen van de activiteiten van een zakenman in verband met het mogelijk doorgeven van informatie over nucleaire technologie aan Pakistan. De AIVD had in de woning van de man camera’s en microfoons geplaatst. Via deze apparatuur ontdekte de inlichtingendienst dat Amerikaanse collega’s van de CIA de woning van de zakenman binnendrongen.

Ter Horst weigert op de inhoud van de zaak in te gaan. Wel is zij bereid de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten van de Tweede Kamer nader te informeren. Deze commissie, ook wel de ‘commissie stiekem’ genoemd, bestaat uit de fractievoorzitters van de meeste politieke partijen en vergadert achter gesloten deuren.

Volgens Ter Horst kunnen buitenlandse inlichtingendiensten, „waaronder de Amerikaanse”, alleen op Nederlands grondgebied activiteiten ontplooien indien de Nederlandse minister van Binnenlandse Zaken of de AIVD hiervoor toestemming heeft verleend. Dit soort acties dient plaats te vinden „onder supervisie en verantwoordelijkheid van de AIVD”.

Pikant detail is dat de voorzitter van de onafhankelijke Commissie van Toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, Irene Michiels van Kessenich, de uitzetting van de CIA-agent tegenover De Telegraaf heeft bevestigd. Zij meende dat het om „algemeen bekende informatie” ging. Ter Horst heeft haar op de vingers getikt. De commissie dient zich volgens de minister te onthouden van publiekelijk commentaar op onderwerpen die inhoudelijk geen betrekking hebben op haar taken en verantwoordelijkheden.