Mijn ogen prikten. Te veel zeep in mijn hanekam

Twee auteurs keren terug naar de Nederlandse vakantiebestemmingen uit hun jeugd.

Vandaag: 1986, met de familie naar de hunebedden.

Ik had te veel zeep in mijn hanekam gesmeerd en in de snikhete zweetbus naar de Schoap ’n drift prikten mijn ogen voortdurend. De bus stopte ook nog eens op iedere straathoek, maar toen ik eenmaal uitstapte stond mijn lievelingsneef Aran op het grindpad een sjekkie te roken.

„Heee”, zei hij. Ik was opeens bang dat mijn ooglijntjes waren uitgelopen.

‘Hotel-restaurant’ was een wat grote naam voor de Schoap ’n drift, een herbergachtige ruimte met zware donkere balken. Bij binnenkomst liep je direct tegen een kast op, waarschijnlijk bedoeld om de ruimte te breken. Boven de bar hingen antieke pistolen en op verschillende plekken aan de muur staarden hertenhoofden naar de bezoekers, wat te danken was aan de jagersvereniging die de Schoap ’n drift als clubhuis gebruikte.

De jagers zaten er altijd. Aan een ronde tafel bij het raam, geweren tegen de vensterbank. Van zowel de mannen als de geweren was ik als overtuigd vegetariër onder de indruk. Moordenaars in het openbaar. Dat dat mócht.

Terwijl ik buiten met Aran tijd stond te rekken, zat binnen mijn familie al urenlang aan de koffie. In mijn expres versleten tas vol buttons zat behalve een schone onderbroek ook een door mijn moeder gekopieerd velletje. „Je doet toch wel mee hè?”

Het jaar ervoor moest ik nog met mijn altviool optreden, maar nadat ik had gedreigd dat ik erop zou gaan zitten, hoefde dat gelukkig niet meer. Aan het gezamenlijke lied ter ere van mijn opa en oma ontkwam ik echter niet. Ik liet Aran het verfomfaaide papier zien, hij zei dat hij het al had. Hem kon het blijkbaar niet zoveel schelen.

Ik maakte mijn vingers nat en wreef voor de zekerheid onder mijn ogen. Ik had mezelf weleens aan het einde van een avond dansen in de spiegel gezien met enorme oogpotloodwallen. Alsof ik een oud wijf van dertig was.

Maar nu zat er niks, dus ging ik in één moeite door met me afvragen of mijn broek vol veiligheidsspelden niet te strak zat en of Aran mijn buik niet te dik zou vinden. Voor de zekerheid hield ik mijn legerjasje aan, ook al scheen de zon behoorlijk.

Daar kwam de familie al. „Gaan jullie mee wandelen?”

„Waar naartoe?”, vroeg ik.

Er werd gul om mijn opmerking gelachen.

Natuurlijk wist ik het antwoord al. We liepen nergens naartoe. Al jaren niet. Dat was wat ‘wandelen’ betekende. Dat Eefje, de hond van mijn tante dat leuk vond begreep ik nog wel, maar waarom wij dat moesten doen?

„We zijn toch geen honden”, zei ik tegen mijn moeder.

Ze keek gekwetst.

Mijn broer leek het wandelen juist geweldig te vinden. Hij had een verrekijker en bleef om de drie stappen staan. „Kijk een zwartomrande wielewaal!” En dan hieven mijn vader en opa hun kijkers en zeiden: „Eerder een buizerd”.

„Ja, die zag ik ook”, zei mijn broer dan, „maar die bedoelde ik niet”.

Na het wandelen gingen we met verschillende auto’s naar de hunebedden. Volgens mij had mijn oma me ooit verteld dat het ook daadwerkelijk bedden waren, waar de Hunnen op sliepen. Maar misschien had ik dat zelf verzonnen.

Mijn broer vond een stok en prikte daarmee in de gaten tussen de gestapelde stenen. Daarna groef hij een gat in de grond op zoek naar ‘bodemvondsten’. Mijn nichtjes keken mee. Ik hing met Aran tegen een steen en wachtte tot we weer teruggingen.

De hunebedden zijn net als de Schoap ’n drift in al die jaren niet veranderd. ‘Grootste hunebed van Nederland’ staat er op de bordjes. Het is een rij zwerfstenen met deksels. Er springen kinderen overheen die met stokken in gaten prikken. Ik lees ergens dat het graven zijn. Dat moet ik destijds geweten hebben.

Vlakbij de hunebedden ligt het ‘Hunebedcentrum’. Ik ben er net binnengelopen om te informeren hoelang het gebouw er al staat en vervolgens heb ik ongevraagd uitgelegd dat ik hier vroeger met mijn familie kwam. Ze keken me aan alsof ik gek was.

Ik weet eigenlijk niet waarom ik naar binnen liep. Alsof het uitmaakt om te weten of een gebouw er al stond. Mijn vriend vraagt of ik blij ben de hunebedden terug te zien. „Vroeger waren ze groter”, zeg ik.

We deelden een kamer, Aran en ik. Twee eenpersoonsbedden naast elkaar en daar lagen we in het donker te grinniken over niets. Over het idee dat er vossen in de buurt zouden zitten. Over schaapskuddes. Over familie. Want met Aran erbij leek onze familie opeens heel grappig.

En dan de volgende dag weer de verveling. Die eindeloze verveling. Weer koffiedrinken met – hè ja lekker – een stukje appeltaart.

Ik ging veel naar de wc om met de lavendelhandzeep van de uitbater mijn haar enigszins hoog te houden. Er waren mensen die haarspray gebruikten, maar dat waren modepunkers, die telden niet. Het moest een beetje ranzig blijven.

Het avondeten bestond uit een Drents streekgerecht. Iets engs met bessen en konijn, speciaal geschoten door de jagers. Vol afschuw at ik om het konijn heen, totdat het mijn oom te gortig werd en hij begon uit te leggen waarom punkers in feite asociale wezens waren.

Ik veerde op en begon vrijheid van lelijkheid te verdedigen, waarop hij er nog een paar rechtse scheppen bovenop deed. Op het moment dat ik echt boos werd ving Aran mijn blik en stopte ik met praten.

„Als je later zo oud bent als ik, denk je er heel anders over”, zei mijn oom. Alsof ik ooit zo oud zou worden als hij.

Ik nam nog een bes en luisterde naar mijn broer die over roofvogels vertelde. Mijn nichtjes giechelden om iets onduidelijks en mijn oom praatte nu met iemand anders, van opzij kon ik goed zien hoe hij tijdens het praten stukjes konijn spuugde.

Waarom deden mensen dat eigenlijk, gezamenlijk eten, ze werden er niet mooier van. Maar goed, als we dan toch lelijk waren, besloot ik, dan ook helemáál niet om aan te zien. Ik legde mijn hoofd in de bessensaus en deed mijn ogen dicht.

Even was het heel stil.

Toen raakte iemand mijn schouder aan.

Ik keek op en proefde saus op mijn lippen, het smaakte naar zeep. „Laten we een sigaretje gaan roken”, zei Aran.