Mijn laatste minuten als collega

Schrijver Arnon Grunberg werkte undercover als cateraar bij het Zwitserse spoor. Negende en laatste aflevering van een serie.

Lang zal ik me Ennio Morcaldi blijven herinneren. De Italiaan die al veertig jaar in restauratiewagens werkt. Hij had twee kinderen, nu heeft hij er nog één.

„Ongeluk?” vraag ik.

„Ziekte”, zegt hij.

Zijn gezicht betrekt nauwelijks. Snel gaat hij weer over tot de orde van de dag: de meloenen die hij van huis heeft meegenomen, voor hem en zijn collega’s, maar ook voor de stamgasten die in München zijn ingestapt. Hij serveert hun meloen met prosciutto, hoewel dat niet op het menu staat. Aubergines, eveneens van huis meegenomen en daar zorgvuldig voorbereid, worden opgewarmd en geserveerd.

Ennio verkoopt zijn eigen eten in de restauratiewagen, misschien geeft hij het ook weg. Het gaat hem om iets hogers.

Ik stel me voor dat zijn huis eruitziet als een restauratiewagen. Dezelfde stoelen, dezelfde tafeltjes. Als er gasten zijn, zegt hij: „Ga maar aan tafel vier zitten.”

In St. Gallen stapt een man in die uitbundig door Ennio wordt begroet.

„Hoe weet hij wie ik ben?” vraagt de man als ik hem zijn bier breng. „Ik heb al twee jaar niet met deze trein gereisd.”

„Die man wil weten hoe je weet wie hij is”, zeg ik tegen Ennio.

„Zeg maar dat ik een goed geheugen heb voor gezichten”, verklaart Ennio.

Al het van huis meegebrachte eten is op. We naderen Zürich.

Mijn laatste minuten in dit uniform, mijn laatste minuten als collega van Ennio Morcaldi.

Morgen rijdt hij weer op deze route.

Hij zegt: „Voor goede mensen moet je iets extra’s doen.”

Wat zal hij morgen meenemen voor de goede mensen? Zelfgemaakte pasta? Een beetje vitello tonnato? Vijgen?

Nog één keer demonstreert Ennio me hoe de espressomachine moet worden schoongemaakt.

Hij is ervan overtuigd dat mijn toekomst in de restauratiewagen ligt en dat ik het straks zelf zal moeten kunnen.

We rijden Zürich Hauptbahnhof binnen. Ik haal de laatste glazen op. Twee dames hebben tussen Flughafen en Zürich twee glaasjes sekt gedronken om een verjaardag te vieren.

„Was het lekker?” vraag ik.

Ik ben een antropoloog in mijn eigen leven en een zigeuner in de levens van anderen.

Soms zeg ik tegen mensen: „Zullen we voor altijd bij elkaar blijven?”

Nog nooit ben ik voor altijd bij iemand gebleven, maar er is een plek waar ook mijn collega’s van Elvetino en ik voor altijd bij elkaar zullen zijn. In een boek. En als niet in een boek, dan in een krant.