Mandaat VS ligt moeilijk in Irak

Eind van dit jaar loopt het VN-mandaat voor buitenlandse troepen in Irak af.

De VS willen immuniteit, wat Irakezen doet vrezen voor hun soevereiniteit.

Aan het eind van dit jaar loopt het VN-mandaat van de buitenlandse – voornamelijk Amerikaanse – troepen in Irak af. Daarom begonnen Iraakse en Amerikaanse onderhandelaars in maart te praten over een verdrag de buitenlandse militaire aanwezigheid en andere aspecten van de onderlinge relaties regelt voor de periode daarna. Maar inmiddels zijn zij op dusdanige barrières gestuit dat het uitgangspunt van een veiligheidsverdrag voor de lange termijn is ingeruild voor een soort informele afspraak voor een jaartje.

En zelfs dat is nog geen gelopen race. De Iraakse regering eist namelijk op dit moment dat die afspraak melding maakt van een tijdschema voor de terugtrekking van de Amerikaanse troepen. Misschien is de Democratische presidentskandidaat Barack Obama, voorstander van terugtrekking uit Irak, het daarmee wel eens, maar president George Bush heeft dat deze week nog met met zoveel woorden uitgesloten.

Het oorspronkelijke idee was dat Irak en de Verenigde Staten een Status of Forces Agreement (SOFA) zouden sluiten – vóór 31 juli, zo hadden premier Maliki en president George Bush elkaar in november beloofd – zoals Washington met 80 landen heeft. Daarin wordt het kader geregeld waarbinnen Amerikaanse troepen in zo’n land opereren. Dat wil zeggen de missie van de troepen, commandostructuur, bases en jurisdictie (wat doorgaans wil zeggen: immuniteit voor de Amerikaanse militairen).

Alles kan problematisch zijn onder bepaalde omstandigheden, maar immuniteit heeft wel een heel beladen verleden in de regio (zie kader). In de jongste onderhandelingen tussen Irak en de VS werd de immuniteit meteen een probleem. Washington eiste niet alleen voor zijn militairen, maar ook voor de Amerikaanse contractanten (bewakers en andere civiele employés) onschendbaarheid.

Van dat laatste kon voor de Iraakse zijde absoluut geen sprake zijn. De contractanten, met name die van de firma Blackwater, hebben in Irak een zeer slechte reputatie door gewelddadig optreden waarbij Iraakse burgerslachtoffers zijn gevallen. Tot woede van veel Irakezen verlengde het Amerikaanse leger dit jaar zijn contract met Blackwater.

De Amerikanen lieten volgens de Iraakse minister van Buitenlandse Zaken Zebari de eis van immuniteit voor contractanten vorige maand vallen. Maar ze houden vast aan onschendbaarheid voor hun militairen.

De kwestie blijft echter een hete aardappel voor de Iraakse regering, met name in het licht van de provinciale verkiezingen die dit najaar moeten worden gehouden. Die zijn belangrijk omdat de provincies onder de federale grondwet veel meer macht krijgen dan ze nu hebben.

In het overwegend shi’itische Zuid-Irak heeft de populistische, anti-Amerikaanse geestelijke Muqtada Sadr veel aanhang. De shi’itische partijen die de regering domineren, zijn bang dat de immuniteitskwestie hun stemmen gaat kosten.

Sinds weken houdt Sadrs aanhang demonstraties tegen een akkoord met de VS onder de leus ‘Nee tegen Amerika’. Sadr gebruikt, heel omineus, ook de leus van Khomeiny dat het akkoord „een instrument voor eeuwige slavernij” zal zijn.

Maar het verzet tegen immuniteit loopt door alle gemeenschappen heen. De politicus Saleh al-Mutlaq, leider van de op één na grootste sunnitische partij, schreef deze week een boos commentaar in de Saoedische krant Asharq al-Awsat. Daarin herinnerde hij aan de jaren dertig, toen de Britten volgens de Iraakse herinnering met een hand soevereiniteit gaven die ze met de andere weer terugpakten. „Irak gaat niet terug naar het tijdperk van het [Britse] mandaat”, schreef hij. „En er zal geen nieuwe Mrs. Bell zijn met een nieuw masker.” Daarmee verwees hij naar de Britse archeologe Gertrude Bell, die de moderne staat Irak voor een belangrijk deel inrichtte en een geweldige invloed had op de nieuwe koning, die ze zelf had geselecteerd.

Er zijn veel meer bezwaren, voor een deel tegen zaken waarvan niet zeker is of Washington ze wel eist maar die in de geruchtensfeer hoog worden opgespeeld – dat de Amerikanen alle zeggenschap in het Iraakse luchtruim eisen, dat ze meer dan vijftig permanente bases willen, en dat ze het recht willen op militaire activiteit in het land zonder ruggespraak met de Iraakse regering. Alles opgeteld zou er van de Iraakse soevereiniteit niet veel overblijven.

Waar of niet, het heeft de publieke opinie dusdanig verhit dat alle parlementsleden een parlementaire stemming dan wel volksreferendum erover eisen en in één adem verwerping voorspellen.

Tegen deze achtergrond kwam de Iraakse regering vorige week onverwachts met haar eis van een tijdschema voor de Amerikaanse terugtrekking uit Irak. Een „tijdhorizon” heet dat in het huidige Iraakse vocabulaire. Het is de vraag of Bagdad werkelijk uit is op een snel Amerikaans vertrek. De veiligheid is verbeterd, maar er vallen elke maand nog honderden doden bij aanslagen. En sunnitische en shi’itische extremisten wachten op een kans met geweld terug te komen. De regering heeft echter een verwijzing naar „duidelijke horizons”, in de woorden van veiligheidsdadviseur Mowaffaq al-Rubaie, nodig om welke afspraak dan ook met de Amerikanen aan haar achterban te verkopen.

Washington, zei vorige week een woordvoerder van de Amerikaanse regering, is uit op een overeenkomst die „de behoeften van ons beide bevredigt”. Maar dat is gaandeweg een stuk minder simpel geworden dan het er in november nog uitzag.

Bekijk een interview met de Amerikaanse ambassadeur in Irak over de onderhandelingen van Al Jazeera: nrcnext.nl/links