Kunst en bloeddorst

Na dertien jaar vluchten werd Radovan Karadzic afgelopen maandag in Servië gearresteerd. Hopelijk zal hij snel aan het Joegoslaviëtribunaal worden overgedragen en worden berecht voor de massamoorden tijdens de val van Srebrenica waarvoor hij in 1995 verantwoordelijk was. Het werd tijd.

Nu de levensloop van de oorlogsmisdadiger overal nog eens in de kijker wordt gezet, valt op dat er nogal wat aandacht wordt besteed aan het dichterschap van de politicus. Karadzic, die ooit in een interview verklaarde dat hij nooit in de politiek had moeten gaan, werkte lang als psychiater. Daarnaast schreef hij gedichten. In 2005, toen hij al jaren wereldwijd werd gezocht, verscheen in Servië zelfs nog een bundel van hem met de titel Onder de linkerborst van de eeuw. Het was ook samen met een schrijver (Dobrica Cosic) en een collega-psychiater (Jovan Raskovic) dat hij in 1990 aan de wieg stond van de Servische Democratische Partij, volledig in de ban van het Servische nationalisme.

Het mogelijke verband tussen artistieke aspiraties, psychiatrie en machtswellust roept vragen op en spreekt tot de verbeelding. Ook tot de mijne. In De Standaard van gisteren wordt uitvoerig uitgeweid over het dichterschap van Karadzic, waarbij ook wordt belicht dat de bloeddorstige politicus uit een mislukt dichter ontstond. Karadzic zou zich tot zijn grote frustratie als kunstenaar nooit aanvaard hebben geweten in de intellectuele kringen van Sarajevo. Daarbij wordt een ‘vriend’ geciteerd die zegt dat Karadzic zowel in zijn leven als in zijn gedichten geen persoonlijkheid bezat en dus ook geen eigen stem. „Hij was een man van klei, zonder karakter, die gemodelleerd kon worden door wie dat maar wilde.” Geen talent dus, en ook niet zo’n aardige vriend.

Het is bijzonder verleidelijk om de kiem van megalomane vernietigers te zoeken in het falen van hun artistieke verlangens. De bekendste mislukte kunstschilder ter wereld moet wel Adolf Hitler zijn. Het stoorde me een beetje dat in de televisiebewerking van Geert Maks prima boek In Europa zoveel tijd werd besteed aan een vrouw die, omgeven door een groepje toeristen, oeverloos doorleuterde over hoe belachelijk verkeerd de perspectieven in Hitlers schilderijen wel waren. „O ja, als je er lang naar kijkt is die bovenarm zeker twee millimeter te lang! Wat een domme kloot!” moest de kijker daarbij denken, „geen wonder dat hij een van de grootste massamoordenaars uit de geschiedenis werd.”

Ik vroeg me wel eens af wat er zou gebeurd zijn als Hitler geen koeien, greppels en statige gebouwen had geschilderd, maar putten vol lijken, mensen die urine drinken in donkere treinwagons en inslaande bommen. Zou zijn kunst dan in staat zijn geweest om zijn gevaarlijke frustraties te kanaliseren? De gedichten van Karadzic doen vermoeden van niet. Daarin vind je wel degelijk zinnen als: „…dit menselijke lichaam zal nooit sterven. Het is niet alleen geboren om de bloemen te ruiken, maar ook om in brand te steken, te doden en alles tot stof te herleiden.”

Het verband tussen kunst en totale vernietiging lijkt wel enigszins op te gaan; beide zijn gericht op persoonlijke verheffing. Als de eerste weg daarheen doodloopt, lonkt de tweede. Toch lijkt de mislukking van een kunstenaarschap mij maar een deelaspectje van de algemene mislukking waarop mensen als Hitler en Karadzic zich fixeerden. Eerder een uitingsvorm, een druppel desnoods, dan een kiem. Zij waren radicale verliezers die de macht verkregen.