Er dreigt een gigantische voedselcrisis

Ruim 40 miljoen mensen in de Hoorn van Afrika hebben noodhulp nodig.

De hoge voedselprijzen brengen de hulporganisaties echter in ernstige problemen.

De hoge voedsel- en olieprijzen in de wereld leiden tot acute honger in de Hoorn van Afrika. „Dit jaar viel er meer regen dan in het laatste droogtejaar 2005, maar de voedselcrisis is groter”, zegt Francesco del Re, voedseladviseur van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) in Nairobi. „De hoge olie- en voedselprijzen maken het verschil uit.”

Voor het eerst nemen hulpverleners een dramatische verslechtering van de voedselsituatie waar in stedelijke gebieden. In Kenia is er een toename van 31 procent van stedelingen die voedselhulp nodig hebben. „In Ethiopië is er 40 procent inflatie van de voedselprijzen, in andere landen in de Hoorn van Afrika is dat 27 procent”, vertelt Francesco del Re.

Somalië importeert doorgaans 60 procent van zijn voedsel, Eritrea 40 procent en Djibouti 90 procent. In Somalië ligt in de stedelijke gebieden wel voedsel in de winkels maar de bewoners beschikken simpelweg niet over het geld om het aan te schaffen.

„De hoge voedselprijzen in de wereld vormen een geheel nieuwe uitdaging voor ons hulpverleners”, concludeert Francesco del Re. De hulporganisaties kunnen niet meer als vroeger gemakkelijk elders op het continent voedsel inkopen. De prijs van witte maïs steeg in Ethiopië het afgelopen jaar met 150 procent. „Als we in de gebieden in Ethiopië met een goede oogst voedsel zouden gaan inkopen, zouden we de prijs alleen maar verder opdrijven. Hetzelfde geldt voor Oeganda, waar we vroeger maïs kochten”, zegt Peter Smerdon, woordvoerder van het Wereldvoedselprogramma (WFP). „Daarom kopen we nu voedsel in Zuid Afrika en India.”

De hoge prijzen brengen de hulporganisaties in ernstige problemen. „We zijn niet in staat voldoende hulp te verschaffen. In Ethiopië ontvangen hongerlijders daarom sinds kort nog maar tien in plaats van vijftien kilo graan per maand”, zegt Peter Smerdon. De hulporganisaties betalen meer voor transportkosten en voor de aanschaf van de hulpgoederen en ze hebben nu onvoldoende financiën om hun activiteiten voort te zetten. „Met onze begroting van vorig jaar kunnen we slechts een fractie van het benodigde voedsel kopen”, klaagt Per Engebak van Kinderorganisatie van de VN (Unicef). „Er dreigt een gigantische crisis in de Hoorn van Afrika en we hebben geen idee hoe we de hulpoperatie moeten financieren.”

Ruim veertien miljoen mensen in vijf landen in de Hoorn van Afrika hebben noodhulp nodig. Ethiopië is met 4,6 miljoen ernstige hongerlijders het zwaarst getroffen, maar de honger bijt vermoedelijk het hardst in Somalië. De nood nam daar de afgelopen maanden met 40 procent toe en 2,6 miljoen Somaliërs kunnen nu niet meer overleven zonder hulp. Dat is 35 procent van de bevolking. Eind 2008 zal naar verwachting de helft van de Somaliërs van de hulpverlening afhankelijk zijn.

In de Somalische hoofdstad Mogadishu namen de voedselprijzen de afgelopen maanden met 500 procent toe en er braken herhaaldelijk voedselrellen uit. „De stijgende voedselprijzen hebben een dramatisch effect”, omschrijft Mark Bowden van de VN de crisis. „Somalië is een land van handelaren dat zwaar wordt getroffen door de inflatie. De basisbehoeften aan voedsel zijn buiten het bereik gekomen van de meeste stadsbewoners. De meeste inwoners kunnen zich nauwelijks één maaltijd per dag permitteren.”

Hulpverleners noemen Somalië „één van de allermoeilijkste hulp-operaties in de wereld”. Er waren dit jaar 31 gevallen van piraterij in de kustwateren, er werden 19 hulpverleners vermoord en 13 ontvoerd, en 82 keer werden hulporganisaties geplunderd. Sinds het vertrek onlangs van een Nederlandse marineschip dat hielp bij de bescherming van WFP-schepen is er over zee geen voedselhulp naar Somalië verscheept. „We hebben gisteren voor het eerst weer een boot vanuit Zuid Afrika naar Mogadishu laten vertrekken”, meldt Peter Smerdon, „maar een ander schip weigert uit te varen als er geen militaire begeleiding komt”.

Hulpverleners liggen in toenemende mate onder vuur in Somalië. Er werken al nauwelijks meer buitenlanders in het gevaarlijke land maar ook de Somalische hulpverleners dreigen hun werk te stoppen. Het is onduidelijk wie verantwoordelijk is voor de schijnbaar gecoördineerde aanvallen op de internationale hulpverlening. Sommige Somaliërs wijzen met beschuldigende vingers naar de islamitische opstandelingen, andere geloven juist dat facties in de zwakke interim-regering verantwoordelijk zijn. Mark Bowden gelooft dat de terreur tegen de hulpverleners bovenal een gevolg is van oorlog. „De Somalische samenleving is na zeventien jaar burgeroorlog uiteengevallen en de georganiseerde misdaad nam de controle over. Ontvoeringen voor losgeld zijn heel gewoon geworden in Somalië.”