De Rita-paradox

De achterban van partijen als Trots op Nederland is in feite allesbehalve trots.

Ziehier de ‘Rita-paradox’: balanceren tussen politiek wantrouwen en vertrouwen.

Het was een curieus berichtje, net voor het begin van de zomeruittocht uit Nederland. In opdracht van het weekblad HP/De Tijd had Maurice de Hond, peiler van opinies en strijder voor rechtvaardigheid, onderzocht hoe trots de achterban van allerlei politieke partijen nu is op Nederland.

Wat bleek?

Juist de aanhang van de prille beweging Trots Op Nederland (TON), aangevoerd door Rita Verdonk, is het minst trots op het eigen land. Ook kiezers die gecharmeerd zijn van de PVV van Geert Wilders, die net als Verdonk hamert op de waarde van de Nederlandse cultuur, bleek maar weinig reden te zien om trots te zijn op het eigen land en op de prestaties ervan, met uitzondering dan van een enkele innovatie als de kroket.

Het gegniffel in praatprogramma’s was niet van de lucht. Grappig! Onder de vlag van Trots op Nederland hadden zich kennelijk vooral mensen geschaard die die leus helemaal niet waarmaken of uitdragen. Liegt Verdonk dan soms in commissie, en zou haar beweging eigenlijk moeten heten ‘Helemaal Niet Trots Op Nederland (HNTON)?’

Nee, dat zou een misverstand zijn. Zo gek is die uitslag van de enquête namelijk niet. De achterban van Verdonk en Wilders is immers uiteraard niet trots op het huidige Nederland – dat wordt verpest door softe politici, zure columnisten en criminelen – maar wil het land onder leiding van Verdonk zo veranderen – door het te bevrijden van softe politici, zure columnisten en criminelen – dat we er met zijn allen weer trots op kunnen zijn. De onafgemaakte zin die de naam van de beweging vormt, (‘.... trots op Nederland’ ) vormt dus als je hem afmaakt geen feitelijke uitspraak (‘wij zijn trots op Nederland’), maar een normatieve (‘wij willen (weer) trots zijn op Nederland’). In de naam van de beweging ligt een wens verpakt – of natuurlijk een bevel, dat kan ook (‘trots zijn op Nederland móét’).

Het gegniffel over die enquête was dus misplaatst. Toch legde die onbedoeld wel een achilleshiel bloot van populistische bewegingen als die van Verdonk, die zich tegen de gevestigde politiek van pappen en nathouden keren. Aan de ene kant prijzen die het karakter en de kracht van de Nederlandse cultuur de hemel in, maar tegelijk zien ze in diezelfde cultuur overal slapte, verval en verloedering. Dat is het helderst bij Wilders, die de lof zingt van de eeuwenoude Nederlandse cultuur en tradities, maar die tegelijk de indruk wekt dat de hele gammele boel op instorten staat en het vijf voor twaalf of zelfs later is.

Meestal wordt die spanning tussen trots en pessimisme over de staat van de natie in zulke bewegingen als volgt opgelost. Met het volk (populus) is niets mis (dat zorgt voor het karakter en de kracht van de eigen cultuur), heet het dan, maar met de heersende elite des temeer (die is de schuld van het verval en de verloedering). Publicisten die Pim Fortuyn, het grote voorbeeld van Wilders en Verdonk, van harte of halfhartig steunden, wezen destijds dan ook al een beschuldigende vinger naar de ‘politiek correcte elite’ of de ‘linkse kerk’ die de authentieke Nederlandse cultuur van de ankers zou hebben geslagen, en die het volk zouden hebben besmet met ‘ziektes’ als cultuurrelativisme.

Het is een aantrekkelijk schema, dat in de twintigste eeuw ook graag gebruikt werd door rechtse of linkse revolutionaire bewegingen, maar waarin ook het idee schuilt dat het volk niet alleen goedhartig en deugdzaam is, maar helaas ook dom of lui en makkelijk te paaien, bijvoorbeeld door het te verwennen met uitkeringen en andere sociale lekkernijen, of het om de tuin te leiden met ‘multiculturele prietpraat’. Een nieuwe elite (de revolutionaire) is dan nodig om het volk op te schudden en uit de kluisters van de eigen onwetendheid te bevrijden.

Maar dit schema van een onschuldig volk en een schuldige elite, is in politiek opzicht ook riskant, omdat het structureel en ongemakkelijk balanceert tussen vertrouwen in volk en elite en wantrouwen jegens beide. De oude elite verdient wantrouwen (want die verziekt de boel), maar de nieuwe eist vertrouwen (‘At your service’, zei Pim Fortuyn, maar hij zei ook ‘ik doe wat ik zeg’, en niet ‘ik doe wat u zegt’).

Vandaar de eenkoppige leiding, en het gebrek aan klassiek representatieve organisatie bij zowel de PVV van Wilders als de beweging van Verdonk. Aan de andere kant moet het volk worden vertrouwd door haar leiders (weg met alle Haagse regeltjes!), maar het moet ook worden gecontroleerd want anders lopen ze de kantjes eraf (handhaven! strengere straffen!). Hetzelfde zie je in haar opstelling tegenover ‘nieuwe Nederlanders’: die moeten worden verwelkomd zolang ze in goed vertrouwen ‘meedoen’, maar keihard worden aangepakt zodra ze hun kinderen na achten op straat laten.

Dat leidt tot een schijnbare politieke tegenstrijdigheid die we de ‘Rita-paradox’ kunnen noemen: haar beweging hamert op het terugbrengen van vertrouwen tussen burger en politiek, maar bestaat juist bij de gratie van het heersende wantrouwen tussen beide. Electoraal zou het voor Trots op Nederland best eens gunstiger kunnen zijn om het wantrouwen tegenover de ‘Haagse politiek’ nog eens flink aan te wakkeren, dan om te werken aan herstel van dat vertrouwen, althans vóór de verkiezingen. En dat is dan ook wat Rita Verdonk bekwaam doet, door weg te blijven bij debatten of hooguit in het vragenuurtje on camera toe te slaan, en door ‘in het land’ begripvol te luisteren naar klachten van burgers. Anders gezegd: ze wil naar een samenleving toe die gebaseerd is op vertrouwen, maar haar beweging is juist een exponent van een low trust society, zoals de filosoof Fukuyama het noemt, een samenleving waarin een basaal vertrouwen tussen staat en burger, en burgers onderling, tanende is.

Die ingebakken spagaat tussen de hang naar vertrouwen en een bijna reflexmatig wantrouwen zou wel eens onvermijdelijk kunnen zijn voor moderne radicale bewegingen. Die beroepen zich doorgaans liever op ‘warme’ begrippen als ‘volkskarakter’, ‘nationale identiteit’ of ‘gemeenschapszin’ dan op het abstracte en ‘kille’ liberale idee dat vertrouwen uiteindelijk niet stoelt op iets warms, maar op een fictief maar pragmatisch ‘sociaal contract’ tussen deelnemers aan een samenleving. Dat idee, afkomstig van de zeventiende-eeuwse filosoof Thomas Hobbes en in de twintigste eeuw vooral onder links-liberalen weer populair gemaakt door John Rawls in zijn beroemde boek A Theory of Justice, 1971), gaat ervan uit dat burgers in het algemeen belang vrijwillig afstand doen van bepaalde vrijheden (bijvoorbeeld eigenrichting). Voor niet-liberalen is zo’n begrip te abstract en te juridisch; zij gaan liever uit van beproefde tradities en religie (neoconservatisme), een homogene volkswil (fascisme), of de ‘ijzeren wetten’ van de geschiedenis (communisme).

Rita Verdonk is afkomstig uit de VVD, maar heeft haar wortels in een tikkeltje radicalere politieke omgeving, het Nijmegen van de jaren zeventig, waar ze studeerde en onder meer actief was voor de Bond van Wetsovertreders, die de rechtspositie van gedetineerden behartigt.

Radicalisme en liberalisme zijn later in haar loopbaan samengekomen, na haar periode als gevangenisdirecteur. Dat zou de vertrouwensparadox van haar beweging kunnen verklaren. Zoals een eerdere radicale leider, de Russische revolutionair I. Lenin al zei: vertrouwen is goed, maar controle is beter.

Elke woensdag staat op deze plek een filosofisch dilemma, doorgaans van Rob Wijnberg. Tijdens zijn vakantie staan hier essays van gastschrijvers.Sjoerd de Jong is filosoof en plaatsvervangend hoofdredacteur van NRC Handelsblad.