Waar taal eindigt begint iets simpelers: geweld

Vmbo’ers in de grote steden missen goede begeleiding, zegt Frans Willem Korsten.

Dus schreef hij een kritisch boekje dat hij naar scholen en bestuurders bracht – per fiets.

Een gek die een boekje komt brengen. Zo voelde literatuurwetenschapper Frans Willem Korsten zich, toen hij weer een schoolplein op fietste, om zich te gaan bemoeien met het vmbo-onderwijs. Half juni bracht hij in Rotterdam een elf pagina’s tellend boekje rond met de titel Plaats vinden. Literatuur in een gespleten stad – Rotterdam. Niet alleen de middelbare scholen, ook de stadsbestuurders kregen een exemplaar.

De boodschap van de buitengewoon hoogleraar literatuur en samenleving aan de Erasmus Universiteit: we hebben meer geld dan ooit, maar we investeren dat niet in onszelf. We stoppen het in veel te dure projecten als de Betuwelijn en de JSF. De basis van ons bestaan, het onderwijs, wordt intussen „vernacheld” en de cultuur „afgeknepen”. Voorbeeld: „In het vmbo wordt in de grote steden bijna geen grondig taalonderwijs meer gegeven omdat dit ‘te moeizaam’ is gebleken.”

Dat is dom en zelfs gevaarlijk, vindt de auteur. Taal is namelijk „de gedeelde sociale weg” die mensen bindt. Verwaarlozing van taal leidt volgens Korsten „onherroepelijk tot een gespletenheid in de stad”. En: „Zolang we allemaal maar consumeren, merken we daar niet zoveel van, maar zodra dat om welke reden dan ook minder wordt, stevenen we af op een maatschappij die een simpeler taal gaat spreken: die van geweld.”

Fietsend door Rotterdam-Zuid heeft Korsten veel geleerd. Hij kwam onaangekondigd bij scholen binnen. zonder dat alles was aangeveegd. Hij kende het vmbo in Utrecht, maar hij wilde kijken hoe het er in Rotterdam aan toegaat. „Handig als je er iets over wilt zeggen. Bovendien voelde ik op deze manier hoe groot de stad is en hoe moeilijk om er beleid voor te maken.”

Toch heeft hij wel adviezen voor het beleid. ‘Dekoloniseren’, zoals socioloog en bestuurder Jankarel Gevers dat ooit noemde: rigoureus snoeien in alle organisaties rondom het onderwijs. Die leveren volgens hem leuke projectjes op, lezinkjes, mooi uitgegeven boekjes, maar dat kost allemaal alleen maar geld. Het geld moet naar het veld waar het echt gebeurt. Dan kunnen de klassen wél kleiner, dan kun je wél goede docenten opleiden.

Het boekje is geen pamflet, zo staat in de eerste alinea. „Net als het manifest past het pamflet in een traditie waarin je anderen toeschreeuwt wat zij moeten doen, fout hebben gedaan, hadden moeten doen […] of beter hadden kunnen doen.” Dat wil Korsten niet. „Elk beleid is kansloos als mensen het niet zelf belangrijk gaan vinden.” Hij zegt „een beetje te prutsen aan de basis”, op zoek naar andere „verzetslieden” om op de lange termijn iets te kunnen veranderen.

Snelle oplossingen voor grote problemen zijn er niet, weet Korsten. Daarom kan iemand als politica Rita Verdonk volgens hem ook geen goed beleid maken. Zij mist de basis die de Amerikaanse presidentskandidaat Barack Obama bijvoorbeeld wel heeft. „Die heeft zelf in de wijken gewerkt.”

Het gaat Korsten niet om integratie. Groepen nieuwkomers hoeven van hem niet te assimileren. Belangrijk is dat kunst en cultuur hun houvast bieden. Daarvoor moet je de leerlingen taal en stijl aanleren en een soort gevoel voor schoonheid.

Als een man met een missie omschrijft Korsten zichzelf niet. „Ik denk alleen vaak, kan het niet een beetje intelligenter?”

Korsten komt uit een familie van onderwijzers. Zelf gaf hij zeven jaar les op het Rotterdamse Libanon Lyceum, onder andere op het vmbo dat toen nog mavo heette. „Het eerste jaar werd ik daar helemaal afgebroken.”

En dan is het niet een riant salaris in het vooruitzicht dat doet doorzetten, maar de begeleiding van het docententeam. „Ik heb door hen de kans gekregen om een heel goede docent te worden.” In Leiden, waar Korsten universitair docent is bij literatuurwetenschap, is hij inmiddels al verschillende keren genomineerd voor de Leidse onderwijsprijs.

Op het vmbo (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs) in de grote steden zitten leerlingen van wie de ouders nog nooit hebben gewerkt, die een criminele vader hebben, een moeder aan de drugs. In uiterst moeilijke omstandigheden moeten ze zich kunnen handhaven en ontplooien.

En wat krijgen ze dan mee van school? „Nota bene zoek-het-zelf- uit-onderwijs!” Korsten wordt fel. „Misselijkmakend, begeleiding bij hun eigen leertraject. Ze laten aanmodderen met een computer. Hou toch op, dat is pas paternalisme ten top. Wij hebben bergen kennis, maar die gaan wij niet aan jullie geven. Wij begeleiden alleen jullie leerproces. Ja, zo hou je je eigen hoge positie wel in stand.”

Wat vmbo’ers in de grote steden nodig hebben? Houvast, stabiliteit en inspiratie, staat er in Korstens boekje. „Het is nog net geen rust, reinheid en regelmaat, maar het komt er dicht in de buurt.”

Als je die rust in de klas hebt, kun je ook vmbo’ers heel veel leren, merkte Korsten. Onlangs ging hij de uitdaging aan om op een vmbo aan de hand van de tekenfilm Monsters & co uit te leggen wat postmodernisme is. En de hele klas dacht mee.

Literatuuronderwijs is leren kijken, betoogt Korsten. Concentreren. Met elkaar. Een gedicht ophangen voor in de klas en dan daar met z’n allen naar kijken. Dus niet met ieder een eigen kopie. „Op zo’n moment gebeurt er iets, ook op het vmbo. Soms door vragen te stellen, vaak komt het uit de leerlingen zelf. Het belangrijkste bij lesgeven is bekrachtiging: de leerling moet het gevoel hebben dat hij zelf iets ontdekt. Misschien met hulp van een ander, maar ze moeten trots op zichzelf zijn.”

Vmbo’ers worden vaak vakmensen. Mensen die vakwerk leveren, die moeten dat tegenwoordig voor zo min mogelijk geld doen, stelt Korsten: „Terwijl er aan de top miljoenen wordt verdiend met wanprestaties. Mensen die iets moois aandragen of bewaken, díe moet je honoreren.”

Op het vmbo moet de basis worden gelegd voor dat vakmanschap. Het probleem is volgens Korsten dat er niet meer genoeg goede vakdocenten zijn, die zelf veel aandacht voor hun vak hebben. Ja, wie doet er überhaupt nog iets met echt honderd procent aandacht? „Echt lezen gebeurt nu bijvoorbeeld eigenlijk alleen nog in leesclubjes, waar lezen iets sociaals is.”

Waar zijn gedrevenheid nu eigenlijk vandaan komt? Korsten denkt even na. „Misschien dit. Mijn vader komt uit een gezin van dertien. Die dertien mensen woonden allemaal in een boerderijtje van acht bij acht meter. Niet echt ideaal, maar het zijn allen sociale, attente en humoristische mensen. Begrijp me goed, daar wil ik niet naar terug en het gaat me niet om de nostalgie, maar dat soort mensen, die elkaars autonomie respecteren, dat vind ik gewoon een mooiere maatschappij.”

Er is volgens Korsten wel héél veel veranderd. Het is ongelofelijk hoe we in beweging zijn, zegt hij. Al die technologische en commercialiserende ontwikkelingen, al die nieuwe mensen, met alleen maar de consumptiemaatschappij die de boel overeind houdt. „Wat als het misgaat? Wat houden we dan over?”

Taal kan ons binden, zoals ook een mooi gebouw een esthetisch bindmiddel kan zijn. „Amsterdam-Zuid, de wijk die Berlage heeft gebouwd, dat is fantastisch mooi. En blijft fantastisch mooi. Tegelijkertijd zijn er wijken met betonnen krotten die erom vragen om te worden beklad. In die wijken ontbreekt dat bindmiddel. Een maatschappij waarin daardoor een tweedeling bestaat, dat vind ik een lelijke wereld.”

Tot nu toe hebben politici van PvdA en D66 toegezegd na de vakantie naar het vmbo-onderwijs te kijken. Ook op de universiteit is er positief gereageerd.