Vijand van mijn eigen creativiteit

Schrijver Joost Zwagerman profileert zich meer en meer als essayist en columnist.

Nee, hij heeft geen writer’s block. Het komt door de krankzinnigheid van nu.

Zijn essaybundel Transito werd genomineerd voor de AKO-literatuurprijs en in april kreeg hij de Gouden Ganzenveer 2008 voor zijn bloemlezingen. Als romanschrijver lijkt Joost Zwagerman (Alkmaar, 1963) achter zijn non-fictie te zijn geëclipseerd. Dat heeft niets met een writer’s block te maken. Toch bestaat er een opmerkelijke parallel tussen Zwagerman en de hoofdpersoon van zijn uit 1997 stammende roman Chaos en Rumoer, een paranoïde romanschrijver die met een writer’s block kampte en bovendien meende dat een collega met zijn ideeën aan de haal was gegaan.

„Ik heb inderdaad het griezelige gevoel na elf jaar alsnog mijn eigen roman binnen te stappen”, zegt hij over zijn aanvaring met collega-schrijver Leon de Winter. Deze gebruikte voor het omslag van zijn recente roman Het recht op terugkeer hetzelfde schilderij van Edward Hopper dat Zwagerman voor het omslag van Vals Licht koos. Een literaire rel leek geboren.

Waarom reageerde u zo gepikeerd toen de nieuwe roman van Leon de Winter een vrijwel identieke omslag bleek te hebben als ‘Vals licht’?

„Er was niets aan de hand geweest als De Winter niet had ontkend dat die covers vrijwel identiek zijn. Op beide boeken staat Night Windows van Hopper, alleen is er op de versie van Leons boek een gordijntje bijgetekend. Ik heb indertijd ontzettend veel moeite gedaan Night Windows op het omslag van Vals licht te krijgen. Dat kostte duizenden guldens. De uitgeverij heeft er een gedeelte van het publiciteitsbudget voor het boek in moeten steken. Als Leon de Winter dan zegt dat die covers ‘geen enkele gelijkenis’ vertonen, vind ik dat niet alleen bizar, maar ook oncollegiaal. Verder zit er volgens mij niets achter.”

Otto Vallei, de schrijver uit ‘Chaos en rumoer’ die aan ‘betrekkingswaan’ leed, zou denken dat er een complot achterzat.

„Ja, fascinerend hè? In Chaos en rumoer komen precies dezelfde situaties voor als ik nu meemaak rond die Hopper-omslag van De Winter. Het is typisch een geval van fact follows fiction. Je zou bijna denken dat er een hogere instantie bestaat die zegt: we laten Zwagerman alsnog in zijn eigen boek stappen. Dat is natuurlijk grappig, maar het is ook griezelig.”

U lijkt wel op Otto Vallei: hij kon geen romans meer schrijven en daardoor, ‘degradeerde’ hij in uw woorden ‘naar de media’.

„Otto hing zijn pen aan de wilgen, terwijl ik sindsdien in elf jaar tijd dertien boeken publiceerde. Ik heb mij na mijn roman Zes sterren uit 2002 gestort op de essayistiek. Na Zes sterren kwam het avontuur Zomergasten op mijn weg. Tijdens de laatste uitzending van het tweede seizoen met als gast Ayaan Hirsi Ali is Submission vertoond. Wat er daarna allemaal gebeurde, is bijna metaforisch. De krankzinnigheid van de gebeurtenissen rondom Hirsi Ali, inclusief de moord op Theo van Gogh, weerspiegelen de krankzinnigheid van het Nederland van nu. Ik zat er met mijn neus bovenop en dat heeft me de polemiek en het pamflettisme in gesleurd. Ik vraag me vaak af: hoe zou Nederland er voor hebben gestaan als Ayaan geen Zomergast was geweest? Het toeval heeft daarbij zo’n grote rol gespeeld, dat het bijna Mulischeaans is. Als ik bijvoorbeeld niet bij de presentatie van het boek van Max Pam over zijn hersenbloeding Ayaans ex-vriend Herman Philipse was tegengekomen, dus eigenlijk: als Max Pam die hersenbloeding niet was overkomen, was Ayaan geen Zomergast geweest, was Submission niet gemaakt en had Theo van Gogh misschien nog geleefd. Sommige mensen kijken gegeneerd weg als ik dit zeg. Je hoeft er niet in te geloven, het zijn de feiten. Alleen het belang dat je eraan hecht en de lading die je het geeft, zijn een kwestie van geloof. Ik sprak erover met Mulisch. Hij begreep het meteen.”

U kreeg dit jaar de Gouden Ganzenveer, die wordt toegekend aan personen met grote betekenis voor het geschreven en gedrukte woord. Tot uw voorgangers behoren publicisten als Michaël Zeeman en Jan Blokker. U reageerde met de opmerking dat zij vereerd moeten zijn met u als winnaar. Voelt u zich boven hen verheven?

„Dat was een onschuldig grapje. Met Zeeman en Blokker heb ik vaak de degens gekruist, maar ik sta veel luchthartiger in die polemieken dan men kennelijk geneigd is te denken. Blokker grossiert in een soort cabaretesk verwoord dedain, dat is zijn handelsmerk. In twee stukken ageerde ik tegen wat ik zijn intellectuele klassenjustitie noem. Als een internationale beroemdheid als Rushdie wordt bedreigd door, in zijn woorden, een stelletje op hol geslagen muzelmannen, dan is hij de eerste om daar de trom over te roeren. Maar als in eigen land minder vooraanstaande mensen hetzelfde overkomt, zoals Ayaan Hirsi Ali en later Ehsan Jami en de fotografe Sooreh Hera, dan zet hij hen weg als aandachttrekkers. Daarover hebben wij een gezond verschil van mening en dat moet je uitvechten in een polemiek. Het gaat mij natuurlijk niet om de persoon Blokker, maar zijn intellectuele klassenjustitie is symptomatisch voor de verwarring die nu heerst onder een links-liberale voorhoede. Die verwarring onder diezelfde opiniemakers blijkt ook uit het feit dat men kritiek op het christendom vooruitstrevend en verfrissend vindt, en kritiek op de islam benepen en conservatief.”

Misschien is dat geen klassenjustitie maar ergernis over ‘bijvoegselfilosofen’ die op alle opiniepagina’s van kranten hun geurvlaggetjes plaatsen. U laat het niet bij steunbetuigingen aan wie bedreigd wordt, maar u spreekt dan vaak ook uw afkeuring uit over personen die zich daar niet of genuanceerder over uitlaten.

„Ik kom op voor de vrijheid van meningsuiting voor iedereen, ongeacht de kwaliteit van die meningen. Er waren indertijd mensen die Jami niet wilden steunen omdat ook Wilders onder de steunverklaring stond. Hetzelfde met de cartoonist Nekschot. Ik ben geen fan van zijn werk, maar ik huldig het principe dat zulke mensen, als hun vrijheid van expressie in de verdrukking komt, net zo goed onze solidariteit verdienen als Salman Rushdie. Ik verwijt het allerlei invloedrijke opiniemakers dat zij hun persoonlijke smaak en hun dedain voorrang geven boven de principiële vraag of we deze mensen moeten steunen als ze in het gedrang komen.”

Bent u voorstander van een onbeperkte vrijheid van meningsuiting, inclusief racistische of discriminerende uitingen?

„Zolang de wet niet wordt overtreden, en er niet wordt opgeroepen tot geweld, mag iedereen van mij alles zeggen. Maar dat is niet aan de orde. Je kunt van Nekschot of Wilders niet zeggen dat hun uitingen racistisch of haatzaaiend zijn. Xenofoob, etnocentrisch en populistisch: ja. Racistisch: nee.”

U keert zich vooral tegen wat u de ‘journalistieke elite’ noemt en minder expliciet tegen de hetzes tegen moslims.

„Als het nodig is, zoals met die kwestie van die dubbele nationaliteit van de staatssecretarissen Aboutaleb en Albayrak, schrijf ik in de scherpst mogelijke bewoordingen over Wilders. Maar dat doen er al genoeg. Ik ben vrijwel de enige die de links-liberale elite in de journalistiek aanpakt, als die zich minder liberaal betoont dan je zou denken. Neem iemand als Hugo Brandt Corstius. Ik lees zijn Grijs-stukken nog altijd met hetzelfde enthousiasme als vroeger. Maar bijvoorbeeld zijn polemieken tegen Theo van Gogh, waarin hij hem als ‘eeuwige antisemiet’ afschildert, vind ik een kardinale fout, die een heleboel andere missers in zijn oeuvre verklaart, maar daarom niet minder onvergeeflijk is.”

Als de uitlatingen van Theo van Gogh over Leon de Winter of Evelien Gans niet antisemitisch waren, wat is dan wél antisemitisch?

„We hebben Theo van Gogh nooit kunnen betrappen op antisemitisme. Er waren in zijn beleving mensen die op een onsmakelijke manier goede sier maakten met hun afkomst, maar dat maakte hem niet tot antisemiet. Joodse kunstenaars die naar zijn overtuiging niet met hun jood-zijn koketteerden, viel hij niet aan.”

Hij trok de integriteit in twijfel van auteurs die hun joodse herkomst niet verloochenden en beledigde hen op die grond.

„Ik was de eerste om te erkennen dat het niet alleen wansmakelijk was wat Van Gogh deed, maar ook echt stuitend, aanstootgevend en moreel obsceen.”

Dat zijn eufemismen die anderen misschien aanmerken als ‘onvergeeflijke missers’ in uw oeuvre. Waarom vindt u het nodig uw kostbare talent te steken in dit soort polemieken?

„Omdat ik de vrijheid van mensen die momenteel in hun rechten worden beknot, belangrijker, dwingender en dringender vind dan mijn eigen luxeproblemen, zoals het werken aan een romanoeuvre. Als ik dan voor onbepaalde tijd de vijand van mijn eigen creativiteit word, dan moet dat maar.”

Bekijk de website van de auteur: www.joostzwagerman.nl