Tot 65 jaar valt nog veel te winnen

Doorwerken tot je 70ste? Minister Donner vindt het een optie om economische groei en sociaal stelsel intact te houden. Anderen vinden werken tot het 65ste jaar al heel mooi.

Operettezanger Johan Heesters, 104 jaar oud, maakte begin dit jaar een triomfantelijke comeback in Amersfoort. Het kán dus wel, werken na je 65ste. Maar is het nodig?

Minister Donner (Sociale Zaken, CDA) ziet door vergrijzing en ontgroening de economische groei en het sociale stelsel in de knel komen. Vanaf 2016 – in stappen van een maand per jaar – naar een pensioenleeftijd van 67 in 2040, zoals bepleit door de commissie-Bakker, is wellicht onvoldoende, liet hij dit weekeinde via De Telegraaf weten. De dertigers van nu zouden sneller naar een hogere pensioenleeftijd kunnen gaan, opperde Donner.

Heeft de minister paniek gezaaid? Bij werkgeversorganisatie MKB-Nederland zien ze wel iets in zijn woorden. Het is noodzakelijk dat Nederland langer doorwerkt. Maar het vaststellen van een verhoogde wettelijke pensioengrens gaat te ver. Die moet per persoon en per soort werk kunnen verschillen – menig bouwvakker is na veertig jaar zware arbeid toe aan pensioen. „Het moet vooral gemakkelijker worden om mensen langer in dienst te houden”, vindt MKB-Nederland, „maar met behoud van flexibiliteit.”

Lou Spoor, strategisch adviseur van verzekeraar Achmea, vindt het „verstandig” dat Donner de AOW-leeftijd ter discussie stelt. „Het pensioenstelsel gaat per definitie over de langere termijn. Dat stuur je niet abrupt bij, anders berokken je schade. Dus moet je nadenken over de verdere toekomst, zodat mensen zich tijdig kunnen prepareren op pensioenen, levensverzekeringen en wat dies meer zij.”

Wat Spoor betreft is het vooral zaak tijdig over de consequenties van vergrijzing te praten: „Uit de reacties op Donner merk je hoeveel verdeeldheid er over dit onderwerp is. Alleen al daarom is het goed de discussie aan te zwengelen en onderzoek te doen. Neem de fysiek zware beroepen: wie mag straks wanneer stoppen? Daar vind je niet zomaar een antwoord op.” En je hebt de zekerheid dat er straks veel meer ouderen zijn, stelt Spoor. „De verhouding tussen werkenden en niet-werkenden verslechtert. Ook Duitsland en Engeland zie je daarom de pensioenleeftijd omhooggaan. Zoiets gaat Nederland echt niet voorbij.”

Bij de Sociaal-Economische Raad (SER) in Den Haag wekken de uitlatingen van Donner enige bevreemding. Dit adviesorgaan meldde nog geen twee jaar geleden dat er geen reden is de AOW-leeftijd te verhogen. Wel is het nodig dat meer mensen gaan werken: de arbeidsparticipatie moet stijgen tot 80 procent. Verder is een bredere basis nodig voor betaling van de vergrijzingslasten; rijkere 65-plussers moeten AOW-premie gaan betalen (de zogenoemde fiscalisering) en de ‘aanrechtsubsidie’ (een fiscale korting voor de niet-werkende partner) moet verdwijnen. Ten slotte vindt de SER een begrotingstekort van een half procent in 2011 nodig om financiële schokken op te vangen.

Voor vakcentrale FNV is het nog eenvoudiger. De woordvoerder: „Tot 67 jaar doorwerken is volgens de huidige cijfers niet nodig. Ga eerst ouderen onder de 65 en vrouwen aan een baan helpen. Daar ligt nog een enorm potentieel.” Dat 65-plussers doorwerken is „prima”. Maar dan onder dezelfde voorwaarden als 65-minners. „Anders prijs je ze uit de markt.”

Wat de vergrijzing betreft, ziet het Centraal Planbureau (CPB) net als de SER diverse oplossingen. Fiscalisering van de AOW, een hogere pensioenleeftijd, meer mensen aan het werk, aflossing van de staatsschuld om te sparen voor stijgende zorg- en pensioenlasten – het helpt allemaal, zegt onderdirecteur Casper van Ewijk. „Er is een vergrijzingsprobleem, maar het is hanteerbaar.”

Donner uitte vrees voor tekorten op de arbeidsmarkt en een krimpende economie. Volgens het CPB valt dat wel mee. Peter Kooiman, hoofd van de sector arbeidsmarkt en welvaartsstaat: „Er ontstaan op korte termijn fricties, maar op langere termijn is de economie flexibel genoeg. Wij gaan uit van een stabilisatie van de bevolkingsomvang.”

Nee, het ware probleem is volgens Van Ewijk en Kooiman de financiering van de vergrijzingslasten. Dat is vooral lastig als de levensverwachting onzeker is. Daarom vinden ze de koppeling die Donner legt tussen pensioenleeftijd en levensverwachting interessant. Steeds langer leven en ‘maar’ veertig jaar lang pensioen opbouwen, is in het huidige systeem niet vol te houden. De minister zei: „Als de levensverwachting in de tussentijd [tot 2040, red.] tien jaar langer wordt, moet die pensioengerechtigde leeftijd onmiddellijk weer ter discussie worden gesteld.” En dat is nog niet veel besproken, stelt Van Ewijk.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek gaat uit van een gemiddelde levensverwachting in 2050 van 82 jaar voor mannen en 84,5 voor vrouwen. Dat is zo’n vier jaar meer dan de 79 jaar anno 2005. In hun berekeningen hanteren de economen van het CPB zelf een onzekerheidsmarge van 3, 5 jaar. Maar als Nederlanders, bijvoorbeeld door een sprong in de medische wetenschap, opeens tien jaar ouder worden, dan heeft dat „dramatische consequenties” voor de overheidsfinanciën.

En dan is ineens Zweden interessant. Daar is de pensioenhoogte wettelijk gekoppeld aan de levensverwachting. Die wordt jaarlijks vastgesteld. Wie meer pensioen wil, kan langer doorwerken. Wie eerder wil stoppen met werken, kiest zelf voor de financiële gevolgen. Kooiman: „Zo is het in een keer afgekaart, en ligt het risico van een hoge levensverwachting ook bij de oudere generaties.”

Johan Heesters zou het logisch vinden.