Richard Brown blijft ondanks alles toch lachen

Op een reis door Engeland ontmoet de auteur oud-chauffeur en babbelkous Richard Brown, die zich met onverwoestbare luim door het leven slaat. Maar van zijn gaffe tegen een zieke passagier wordt hij nog wel eens wakker.

De inmiddels 68-jarige Richard Brown uit de Engelse Midlands is een korte, stevige man met flikkerende brillenglazen, een kordate tred en de grote, voortdurend blootgelachen boventanden van een ouderwetse theaterkomiek. Grappen maakt hij het liefst aan de lopende band en met die onverwoestbare luim heeft hij zich zijn leven lang door narigheid en tegenvallers heengeslagen.

Hij was als opvolger van zijn vader een succesvolle textielagent voor Amerikaanse en Zwitserse fabrikanten, maar de textielindustrie verdween naar het Verre Oosten en hij bleef, medio jaren zeventig, met lege handen achter.

In dezelfde tijd liep zijn huwelijk stuk en zag hij zijn twee dochtertjes lijden onder de scheiding. Hij solliciteerde links en rechts, maar geen baan voor hem te krijgen.

Hij vond een nieuwe vrouw, maar die bedolf hem onder de misère die zij zelf achter zich aan sleepte: haar man was weggelopen met een ander en treiterde haar (onder andere met geld) waar hij kon, haar zoon leek een bedenkelijke kant op te gaan en haar dochter, ook al gescheiden, stierf aan huidkanker. De zoon brak ook zijn huwelijk op en liet zijn kinderen achter bij zijn ex en haar vileine moeder die de kinderen onafgebroken afbekt.

Anders nog?

Ja, eeuwig geldzorgen en heimwee naar de textielwereld.

Blijf dan maar eens lachen.

Richard Brown kon het toch niet laten, al was het een tijdje lang iets te vaak in de kroeg. Maar daar haalde hij overigens wel een baan als verkeersteller vandaan. Sensoren in het asfalt correspondeerden met een centrale computer in Londen, maar in een mobiele cabine langs de weg zaten de tellers in wisselende uurdiensten achter een laptop om te controleren of de hele zaak functioneerde.

Maar nieuwe software kwam beschikbaar en die maakte uiteindelijk de tellers overbodig. Baan kwijt.

Een tip bracht hem op een geheel nieuw spoor: gevangenen vervoeren. Een taxibedrijf had een contract met een aantal gevangenissen om te zorgen voor het vervoer van gevangenen naar ziekenhuizen, rechtbank of andere bestemmingen.

Richard Brown werd grondig gescreend en geschikt bevonden om in wit shirt en zwarte broek de ongemarkeerde auto’s te chaufferen met achter zich een dief, fraudeur of moordenaar, aan handboeien vastgeketend aan de begeleidende politiemannen: een dief aan één politieman, een moordenaar aan twee – zo zijn de voorschriften.

Veel meegemaakt in die rare baan. Een man die een postkantoor had beroofd kreeg tien jaar omdat hij iemand invalide had geschoten. „Tien jaar voor vijf pond”, zegt Brown hoofdschuddend, want meer had die kerel niet weten te graaien. Er was een gevangene die even naar de begrafenis van zijn moeder mocht. Onderweg moest hij plassen; dat mag niet zomaar ergens, ook al zit je vast aan twee politiemannen, dus moest er een politiebureau in de omgeving worden gevonden, agent mee de plee in.

Bij de begrafenis bleef hij natuurlijk ook aan de agenten vastzitten, moest je die mensen er omheen zien kijken. Toen de kist was gezakt moest hij subiet weer de auto in, niet nog even praten met zijn familie.

Weer een andere keer: een kerel die zijn straf had uitgezeten werd, door Brown naar het station gebracht. Hij was nog niet weggereden of die vent zat al weer op het politiebureau: had iemand op het station beroofd, de kaffer.

Bij een beruchte gevangenis waar langgestraften zitten, stond Brown met zijn auto een keer te wachten op een passagier.

„Waarvoor is die oranje lijn?”, vroeg hij aan een agent, wijzend op de oranje streep die op enige afstand over het beton langs het hele cellencomplex liep.

„O, dat is de shitline”, was het antwoord. Als namelijk iemand langs de cellen liep kon hij wel eens een drol naar zijn hoofd krijgen; de gevangenen poepen op een emmer en pakken hun productie er dan met een krant uit en smijten die uit balorigheid door het tralievenster naar buiten, bij voorkeur naar een passant. Als die nou maar buiten die oranje lijn bleef kon hem niets gebeuren, want die duidde de uiterste grens aan van het drolbereik.

Maar waar hij nog wel eens van wakker wordt, is zijn gaffe tegen die gevangene die hij naar het ziekenhuis bracht.

„Hij was een kerel van middelbare leeftijd en hij leed aan gangreen: zijn beide benen moesten worden afgezet. Ik heb hem gebracht en gehaald en we praatten in de auto wat, met hem en de agent die hem begeleidde en die ook met hem meevoelde. Maar, geloof het of niet, een half jaar later moest ik die rit weer met hem maken, nu, echt waar, voor zijn rechterarm. Verschrikkelijk, nietwaar? Maar het schoot ineens bij me eruit: o, zei ik, ik begrijp het: jij ontsnapt in stukjes en beetjes.”