Pensioen en hete brij: een brisante mix

Voorkomen moet worden dat werknemers er na hun 65ste net zo slecht aan toe zijn als vroeger. Dus kan niet ontkomen worden aan ingrepen in het pensioenstel, meentB.M.S. van Praag.

Een angstkreet. Die uitte collega-econoom Arnoud Boot over de pensioenproblematiek (Opiniepagina, 18 juli). Hij merkte op dat de eertijds gesuggereerde waarde- en welvaartsvastheid in genen dele dreigt te worden waargemaakt. Concreet vreest hij dat zijn pensioen, wanneer hij met pensioen gaat, weleens 50 procent lager kan uitvallen dan eertijds gesuggereerd.

Met zijn waarneming ben ik het eens en zijn onlustgevoelens deel ik. Het is beangstigend. En dat zal wel gelden voor een groot aantal huidige en toekomstige gepensioneerden. De vraag is echter ook: hoe komt dat en wat kunnen we eraan doen?

In de eerste plaats dienen we de permanente inflatie voor de hele westerse wereld te accepteren als een fact of life. Toen enige jaren geleden de inflatiebestrijding zoveel succes had dat een lichte deflatie niet helemaal uitgesloten leek, voelden de makers van het economisch beleid, inclusief de Europese Centrale Bank, zich knap ongemakkelijk.

In de praktijk is er een doelbewuste politiek die aanstuurt op een geldontwaarding van ca. twee procent per jaar. Wanneer men de gemiddelde inflatie in de OECD-landen beziet over de laatste decennia ligt die zelfs stukken hoger dan die twee procent. Afhankelijk van de beschouwde periode en het gebied lijkt een realistische schatting van die inflatie uit te komen op ca. vier procent per jaar.

Het lijkt op die grond uitermate naïef om het pensioenbedrag te definiëren in termen van een nominale uitkering. Toch is dat wat nu nog steeds gebeurt. Als de uitkeringen dan te laag dreigen uit te vallen wordt een indexatie gegeven, wanneer ‘de uitkomsten dat toelaten’. Het fonds heeft meer rendement gemaakt en uit die overwinst wordt de indexatie gerealiseerd. Soms en in toenemende mate ‘laten de uitkomsten dat niet toe’ en moeten de gepensioneerden en werknemers met lede ogen toezien hoe hun pensioenaanspraken verdampen.

Wanneer we toe willen naar een waardevast pensioen, dan zullen we de pensioenverplichtingen moeten berekenen in reële termen. Dat wil zeggen dat als het fondsrendement in nominale termen bijvoorbeeld gemiddeld vijf procent bedraagt, van dat cijfer vier procent inflatie moet worden afgetrokken om de reële rente te krijgen. Dus: de pensioenverplichtingen moeten niet berekend worden op basis van de nominale (reken-)rente van ca. vier procent, maar op de basis van de reële rente van ca. nul procent. Hierbij is nog geen rekening gehouden met de beheerskosten van beleggingsfondsen die vaak ook nog een procent of meer opsouperen. Slechts dan lijkt het mogelijk om waardevaste pensioenen te garanderen, waarbij we uiteraard afzien van de mogelijkheid van galopperende inflatie, waar geen enkele pensioenregeling tegen opgewassen is.

Het is duidelijk dat een dergelijke pensioenopbouw vraagt om een veel hogere pensioenpremie dan wat nu gebruikelijk is. Rekentechnisch heeft zo’n niet irreële reële rentevoet van nul procent grote voordelen. Het laat zich zonder rekenmachine becijferen dat bij een werkzaam leven van veertig jaar en een na 65 jaar nog resterende levensverwachting van 15 jaar een pensioen van ca. zeventig procent reëel middelloon een pensioenpremie zou vereisen van ca. 26 procent van het nominale brutoloon.

Er zijn momenteel veel pensioenregelingen die op een substantieel lager premiepercentage zitten. Dan wordt indexatie afhankelijk van conjunctuurfluctuaties en de luimen van de beurs. De eerste conclusie is dus dat de pensioenpremie, dat wil zeggen: het deel van het arbeidsinkomen dat niet wordt bestemd voor directe consumptie, c.q. belastingbetaling, maar dat het uitgestelde pensioeninkomen moet genereren, moet worden verhoogd. En dat is de hete brij, waar wij met zijn allen om heen blijven dansen.

Uiteraard kan die premieverhoging op verschillende manieren worden gerealiseerd. We kunnen de premieverhoging op het bord van de werkgever schuiven en dat leidt tot verhoging van de brutoloonkosten, we kunnen het bij de werknemer deponeren en dat leidt tot verlaging van het netto beschikbare loon. We kunnen het ook rechtbreien door de uitkering van reeds gepensioneerde werknemers niet te indexeren, dus in reële zin te verlagen. In de praktijk gebeurt veelal het laatste.

Die gepensioneerden zijn immers de zwakste partij. Zij kunnen niet meer in staking gaan. Bovendien zijn zij bijna nooit vertegenwoordigd op de plaatsen waar de dienst wordt uitgemaakt. Dat is bij de cao-onderhandelingen en in de besturen van de pensioenfondsen. Daar zitten alleen de werkgevers en de werknemers. De werkgevers zijn sterk geporteerd voor het beperken van de loonkosten en de werknemers zijn in het algemeen veel minder geïnteresseerd in hun pensioen van over 25 jaar dan in hun mogelijke loonsverhoging nu.

Het is vreemd dat die besluitvormende gremia zo onevenwichtig zijn samengesteld, wanneer men bedenkt dat de gepensioneerden en ‘slapers’ (de laatsten zijn nog niet gepensioneerden die ergens anders zijn gaan werken maar wel ‘nog slapende pensioenrechten’ hebben opgebouwd) samen ca. 62 procent van de belanghebbenden uitmaken, terwijl actieve werknemers slechts 38 procent uitmaken van de belanghebbenden. Ik ontleen deze feiten aan het jongste nummer van het tijdschrift Pensioenbelangen. In feite maakt dus 38 procent van de belanghebbenden de dienst uit, terwijl de belangen van actieven nu eenmaal anders liggen dan die van niet-actieven.

Men kan het ook bekijken in termen van op welk deel van het belegde kapitaal de onderscheiden groepen recht hebben. Hier is de schatting dat slapers en gepensioneerden samen voor 52 procent ‘aandeelhouder’ zijn in het door pensioenfondsen belegde vermogen. In dit licht is het een anomalie dat alleen actieve werknemers wat in de melk te brokkelen hebben bij de besluitvorming over indexatie. Gelukkig hebben VVD en D66 enige weken geleden een initiatiefwetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer om te komen tot een meer representatieve besluitvormingsstructuur.

Een tweede punt dat leidt tot de huidige chaotische en bedreigende ontwikkeling zijn de nieuwe accountancyregels waaraan pensioenfondsen en moederbedrijven zijn onderworpen. Die houden in dat verplichtingen en beleggingen tegen de dagwaarde op de balans moeten worden gezet. Dat impliceert dat de waarde van de toekomstige verplichtingen sterk fluctueert met de rentefluctuaties en dat de waarde van de beleggingen met de beurskoersen in enige maanden 20 tot 30 procent terug kan lopen.

In dat licht is het beperken van de waardevermindering bij het ABP tot slechts vijf procent een zeer goede prestatie. Bij pensioenen gaat het om langlopende verplichtingen en een lange beleggingshorizon.

Er valt dus alles voor te zeggen de waarderingsgrondslagen te veranderen en niet uit te gaan van de dagwaarden maar van langlopende voortschrijdende gemiddelden. Dat geeft rust aan het pensioenfront. Bij de huidige vereisten zitten fondsen en bedrijven in een soort ‘rollercoaster’, waar geen enkel lange termijnbeleid bij valt te voeren. Het kan slechts leiden tot een totale vlucht in het defined contribution-systeem waarbij de werkgever denkt: na mij de zondvloed en waarbij de werknemer terechtkomt in de pensioensituatie van tachtig jaar geleden. Ook hier geven de Verenigde Staten een niet navolgenswaardig voorbeeld.

Prof. dr. B.M.S. van Praag is Universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam.

Lees het artikel van Arnoud Boot op nrc.nl/opinie