Jagen op nieuwe betekenis

Rein Bloem was liefhebber en pleitbezorger van Hans Faverey en Jacques Vogelaar. Zijn eigen werk vond minder weerklank.

„Ik wil met poëzie de vaste betekenissen van woorden onmogelijk maken,” zei Rein Bloem ooit. Afgelopen zondag overleed de dichter, criticus, filmmaker, docent en vertaler Bloem op 76-jarige leeftijd. Dit maakte zijn familie bekend.

Bloem, die Nederlands studeerde aan de Universiteit van Amsterdam, wijdde zijn leven aan dit ‘open’ houden van bestaande en het verschalken van nieuwe betekenissen van tekst. „Ik ben een jager”, zei hij. Bloem vertaalde werk van Ezra Pound, James Joyce, Charles Baudelaire, Pierre Reverdy en Stéphane Mallarmé. Hij was liefhebber en pleitbezorger van het werk van als ontoegankelijk ervaren dichters als Hans Faverey en Jacques Vogelaar. Zelf debuteerde hij in 1966 met de bundel Overschrijven, gevolgd door Part en deel (1977), Van de aarde (1982) en Zulke scheuten, zulke tronk (1989). Het was hem er telkens om te doen, zei hij, „de gewenningsfactor die bij lezers zit ten aanzien van poëzie die iets moet betekenen [te] doorbreken. Ik haal de lezer uit het spel, als-ie dat wil.” Als criticus besprak en analyseerde Bloem poëzie voor onder meer Vrij Nederland en De Groene. In 1977 kreeg hij de Pierre Bayle-prijs, de belangrijkste prijs op het gebied van kunstkritiek. Hij werd door recensenten geprezen om zijn belezenheid, vertaaltalent en kennis van uiteenlopende poëzietradities. Zijn eigen werk vond minder weerklank.

Bloems afkeer van ‘gewenning’ aan vastliggende betekenissen, vertaalde zich ook in liefde voor het bewegende beeld. Hij maakte een aantal films op basis van gedichten, zoals Gorter aan Zee (naar een gedicht van Hans Faverey).

In 1997 verscheen de bundel De troost van de pelgrim, gewijd aan de Francigena, de Frankische pelgrimsroute tussen het Lombardijnse Pavia en Rome. Later wijdde Bloem nog een tentoonstelling en een boekje aan de route. Religieuze of kunsthistorische motieven dreven hem als pelgrim niet, eerder zijn eigen poëtische associaties en oog voor de beweeglijkheid der dingen.

Zoals hij schreef in het gedicht Tal-Coat uit de bundel Van de aarde: ‘er is geen hier dat niet een elders is/ de dingen sterven in hun aanvang/ en worden onafzienbaar herboren.’