Ja fijn, geld overhouden

Nederlanders zijn de laatste decennia positiever geworden over sparen, bleek gisteren.

We houden dan ook steeds meer geld over om opzij te kunnen leggen.

Nu: 4,0 procent spaarrente. Nee, wacht, 5 procent spaarrente. Wat? Nu zelfs 5,25 procent spaarrente. Als consument met een (klein) zakcentje achter de hand zijn het gouden tijden. Sinds een aantal buitenlandse aanbieders de Nederlandse spaarmarkt is opgekomen, is er een ware concurrentieslag aan de gang tussen banken om de spaarder.

De rente ligt inmiddels fors boven de fictieve grens van 4 procent rendement per jaar die de overheid als ‘altijd voor iedereen haalbaar’ heeft bestempeld. En dat is gunstig, want al het meerdere is belastingvrij. Daarbij: de inflatie is in Nederland weliswaar hoog (2,6 procent), maar nog altijd fors lager dan elders in Europa. Zo hou je dus nog wat over van je spaargeld, ondanks de geldontwaarding.

Sparen loont, kortom. En de banken moeten wel mee in de slag om de spaarder. Geteisterd door de kredietcrisis hebben ze heel hard geld nodig om hun balansen op orde te krijgen. En omdat bedrijven en collega-banken net zo hard getroffen zijn door de kredietcrisis, is daar de liquiditeit (het geld) even niet meer zo makkelijk voor handen. De oplossing is even simpel als ‘ouderwets’: de spaarders.

Gisteren maakte het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) bekend dat steeds meer Nederlanders de afgelopen dertig jaar positief zijn gaan oordelen over sparen. Inmiddels behoort Nederland samen met Denemarken en Luxemburg tot de EU-landen met de meest positieve houding jegens sparen.

Opmerkelijk aan het CBS-onderzoek is dat de vaak veronderstelde correlatie tussen de stand van de economie en de mening over sparen niet blijkt te bestaan. Economische tegenspoed beïnvloedt het verwachte spaargedrag van consumenten alleen in negatieve zin. Dit effect was duidelijk zichtbaar aan het begin van de jaren tachtig (beurscrisis) en de beginjaren van het nieuwe millennium (dotcom-crisis).

Tegelijkertijd heeft de economische ontwikkeling echter geen invloed op de steeds positiever wordende mening over de zin van sparen, constateert het CBS. In het tweede kwartaal van 2008 (op het hoogtepunt van de kredietcrisis dus) vond 81 procent van de Nederlandse consumenten sparen zinvol. 15 procent van de consumenten gaf aan dat sparen op dat moment juist niet zinvol was. Hiermee kwam het saldo van de positieve en negatieve antwoorden uit op 66. Dertig jaar eerder waren de meningen beduidend minder verdeeld met een saldo van 14 (zie grafiek).

De zin of onzin van sparen heeft meer te maken met leeftijd en inkomen, blijkt uit het CBS-onderzoek.

In de periode januari 2002 tot en met mei 2008 waren consumenten in de leeftijd van 18 tot 35 jaar het vaakst positief over de zin van sparen. Dit positieve oordeel daalt, naar mate de leeftijd toeneemt, aldus het CBS. De belangrijkste factor die van invloed is op een positief spaaroordeel is echter het inkomen. Consumenten met een laag inkomen waren de afgelopen jaren overwegend negatief over hun spaarmogelijkheden, terwijl de hogere inkomens zeer positief waren. Logisch: wie de eindjes nauwelijks aan elkaar geknoopt krijgt zal eerder negatief oordelen over sparen, domweg omdat het niet mogelijk is. De relatie tussen inkomen en spaarzin is ook terug te vinden in Europa. Relatief arme landen oordelen negatiever over het opzij zetten van geld dan rijkere landen.

De conclusie moet zijn dat Nederlanders de afgelopen dertig jaar rijker zijn geworden. En dat klopt. Daarbij helpt het natuurlijk wel dat de beurskoersen sinds de zomer van 2007 zijn ingestort en de prijzenslag op de spaarmarkt is losgebarsten. Maar eerste vereiste voor een positieve houding over sparen is toch gewoon: geld overhouden na dagelijkse uitgaven.

Lees het weblog van Erica Verdegaal over spaarstunter Icesave via nrcnext.nl/erica