Ik kon zó jaloers zijn op kinderen uit Brabant

Twee auteurs keren terug naar de Nederlandse vakantiebestemmingen uit hun jeugd.

Vandaag: Terug naar de Beekse Bergen in 1979.

We zijn een kwartier binnen en Robin zegt het: het is best wel saai.

Ik zeg dat ik het niet durfde te zeggen. Dat het eigenlijk gewoon een dierentuin is waar ze maar een paar dieren hebben die heel ver uit elkaar liggen. Ik vraag of ze zich iets herinnert van haar vakantie hier.

Ik was negen maanden oud, zegt ze.

Het kon toch?

Ik ben in Beekse Bergen geweest toen ik een jaar of zes was. We waren er niet op vakantie, we gingen alleen een dagje op safari. Van het ritje door het park herinner ik me niets, ik weet alleen nog de kabelbaan. Daar waren we in gestapt en vervolgens hadden we twee uur stilgehangen. Ik in een bakje naast mijn moeder, mijn zuster in het bakje naast mijn vader. Ik stel me zo voor dat er pakjes met broodjes en sinaasappelsap heen en weer zijn gegooid. De moeder van mijn vriendin moest lachen om het verhaal, zei dat dat ding in de begindagen heel vaak vastzat. Toen zij in het park zaten, stopte de kabelbaan naast hun vakantiehuisje. Ze zaten er een week. De vader van Robin had geen vakantie genomen, die werkte door in de kapsalon en kwam ’s avonds naar het park. Dat was maar vijf minuten met de auto. Robin en ik zijn nu op de fiets gekomen en onderweg vertelde ik hoe jaloers ik kon zijn op kinderen die in Brabant woonden: zo dicht bij de Efteling! Zo dicht bij de Beekse Bergen! We fietsten op een jaagpad langs de snelweg en de ANWB-borden gaven het aan: de linkerbaan ging naar de Efteling, de rechterbaan naar de Beekse Bergen. Ze zei dat ik me niet te veel van het safaripark voor moest stellen.

Bij de ingang konden we drie kanten op: linksaf voor de camping, rechtdoor voor het speelland, rechtsaf voor het safaripark. We zetten onze fietsen neer en bij de kassa van het speelland vroeg ik of we deze ingang moesten hebben voor de kabelbaan. Het meisje achter de kassa proestte net niet. De kabelbaan, dat is al een tijd geleden, zei ze.

Dus we liepen naar het safaripark. Dat best ver bleek te zijn. De weg ernaartoe werd verleukt met banieren die een foto van een wild dier hadden, en elk wild dier was boos. De algemene slagzin was: ‘Daar kun je maar beter uit de buurt blijven’, en elk dier zei iets chagrijnigs. De laatste banier was van een giraffe, en de giraffe zei zoiets als ‘moet je wat van me?’ – en wij waren het erover eens dat giraffes bij de Liefste Dieren Ooit hoorden, dat ze heel vriendelijk hoi zeiden. En Robin dacht dat ze heel vaak sorry zeiden omdat ze niet zo goed kunnen zien waar ze lopen, met die lange poten.

Binnen is het dus best wel saai.

We zijn begonnen aan een wandelsafari, maar er zijn velden waar geen enkel dier zit en die velden zijn best groot. We zien een wegwijzer, en op de wegwijzer staat bussafari. Dat klinkt net iets minder saai.

Bij de bushalte staan een stuk of twintig mensen. Wij gaan er een beetje nonchalant bijstaan; de bus komt over twintig minuten en er passen volgens het bord 43 mensen in. We proberen de nonchalante houding een beetje vast te houden, maar dat wordt bemoeilijkt door nieuwe mensen met kinderen die zich zo positioneren dat het best wel voordringen genoemd kan worden. Als de bus komt, blijken wij de laatsten te zijn die mee mogen. De bus is een oude NZH-Volvo met zebrastrepen en hij wordt bestuurd door een meisje dat qua leeftijd haar rijbewijs nog niet zo lang kan hebben. Het meisje is ook de gids, ze heet Joyce, en ze gaat ons dingen over de dieren in het park vertellen. Maar als we onderweg zijn, blijkt Joyce meer van het vragen te zijn. Weet iemand waarom struisvogels niet kunnen vliegen? Weet iemand waarom de benen van een zebraveulen net zo lang zijn als die van hun ouders? Een jongetje dat achter ons zit weet het allemaal. Ik fluister tegen Robin dat het jochie echt heel slim is. Robin fluistert terug dat hij waarschijnlijk op de camping staat en elke dag meerijdt.

De bus blijkt maar de helft van de route te doen omdat er een weg wordt geasfalteerd. We zien geen leeuwen, geen olifanten, geen neushoorns.

We zien vooral herten.

Aan het eind van de bussafari staan we aan de andere kant van het park, en we hebben geen zin alsnog de wandelsafari te doen, dus we pakken de boot. Op de boot hebben we een gids voor wie het de eerste dag is, en ze doet hetzelfde als wij: ze kijkt om zich heen en ziet af en toe een dier, alleen praat ze er hardop bij. Kijk, nog een hert. Een man met een matje in zijn nek heeft zijn grapjas aangetrokken en vraagt hoe hard een leeuw achteruit rent. Haha! Achteruit!

Aan het eind van de boottocht staat een restaurant. In het restaurant zijn er menu’s te krijgen: friet met kroket, friet met frikandel, friet met kaassoufflé. Onder het rijtje staat ook nog een kindermenu, zonder verdere uitweiding. Het is ons een raadsel wat een kindermenu kan zijn als friet met een kroket al een gewoon menu is.

Als we onze warme chocomel met rum ophebben (het regent de hele dag en we hebben regenjassen met capuchons aan en we hebben besloten dat regenjassen met capuchons de volgende fase in onze relatie is), gaan we zoenen, want dat doen we veel en overal. De mensen van het tafeltje naast ons staan net op, laden de kinderen in de buggy’s en de vrouw van het stel vraagt of we niet even kunnen wachten tot de kinderen weg zijn.

We zijn zo verbouwereerd dat we abrupt stoppen. We zoenden. We waren elkaar niet aan het uitkleden, we zaten niet heel erg aan elkaar – we zoenden.

Pas als het stel weg is, schelden we ze uit. Arme man, en: hoe zijn die vier kinderen er ooit gekomen, en: één keer per jaar zeker?

We gaan weg.

We gaan alleen nog even kijken op de camping. Ik zeg tegen Robin dat ze zich misschien nog iets herinnert, dan.

Ik was negen maanden, zegt ze.

Maar toch, zeg ik.

De camping blijkt heel sympathiek te zijn, met veel groen en viswater en huisjes met zebrastrepen.

Herken je iets?

Nee.

Ik knik naar een wegwijzer. De huisjes heten jungalows. Jungalows, zeg ik, dat moet je je herinneren.

Robin zegt dat haar gevoel voor ironie zich pas begon te ontwikkelen toen ze tien maanden was.