Hoe we moeten omgaan met onze gedetineerden

Onder de kop `Ruimte om te denken` heeft deze krant de staatssecretaris van Justitie aangeraden om het onverwachte cellenoverschot te benutten om eens fundamenteel na te denken over de inhoud van de detentie (Commentaar, 7 juli). Het gaat daarbij mijns inziens om twee hoofdvragen: 1) hoe kan de gedetineerdenpopulatie zo laag mogelijk worden gehouden en 2) hoe kunnen degenen aan wier detentie niet te ontkomen valt het meest effectief worden bejegend. Uiterst zuinig omgaan met de toepassing van de voorlopige hechtenis is wenselijk en is mogelijk wanneer de vreemdelingenbewaring niet langer in een penitentiaire inrichting plaatsvindt. De korte vrijheidsstraf en de vervangende hechtenis zouden vervolgens moeten worden afgeschaft. Een betere kwaliteit van de tenuitvoerlegging kan door de strafrechter wettelijk te verplichten om in zijn uitspraak zo precies mogelijk aan te geven wat er met de veroordeelde dient te gebeuren. Op die manier moet het gevangeniswezen met een duidelijke opdracht met de betrokkene aan het werk en kan het niet volstaan met het louter beheren van gedetineerden, die zoals bekend voor het merendeel met grote geestelijke en materiële problemen kampen. De strafrechter zou regelmatig dienen te toetsen of voortzetting van de door hem bevolen detentie nog zinvol is, of het te volgen programma aanpassing behoeft en of de detentie niet eerder dan de in de uitspraak bepaalde tijdsduur kan worden beëindigd. Een en ander zou betekenen dat eis, uitspraak, tenuitvoerlegging en nazorg volledig op elkaar afgestemd moeten worden, iets waar het nu aan ontbreekt.