Claimemissies blijven aantrekkelijk

HBOS heeft een plek in de geschiedenisboeken verworven als de eerste mislukte claimemissie in decennia. Slechts 8 procent van de aandeelhouders van de Britse bank heeft deelgenomen aan de uitgifte van 4 miljard pond (5 miljard euro) aan nieuwe aandelen. Morgan Stanley en Dresdner Kleinwort, de waarborgende banken, hebben nu twee dagen om de resterende 3,6 miljard pond te verkopen tegen de uitgiftekoers van 275 pence. Als dat niet lukt, blijven ze zitten met een kwart van de aandelen van HBOS.

Dit mag dan een record zijn, het is geen ramp. Een groot deel van de ongewenste aandelen kan wellicht alsnog van de hand worden gedaan als beleggers, die speculeren op een koersdaling van HBOS tijdens de claimemissie, hun posities afsluiten. De waarborgende banken zouden zelfs winst kunnen boeken op de rest van de aandelen als de koers later weer opveert. En zij delen de pijn – tot voor naar verluidt zo’n 60 procent – met hun onderaannemers.

Ook hoeft dit geen catastrofe te zijn voor claimemissies in het algemeen. Die vormen nog steeds de billijkste manier voor bedrijven om nieuw kapitaal binnen te halen. Geen enkel voorgesteld alternatief kan voorkomen dat aandeelhouders hun belangen zien verwateren. Zelfs de innovatieve constructie van Barclays, waarbij voor 4,5 miljard pond aan aandelen bij nieuwe aandeelhouders werd uitgezet om ze vervolgens door anderen weer te laten terugkopen, wist dat probleem niet op te lossen.

Daarom ligt het niet in de verwachting dat claimemissies zullen verdwijnen. Maar het is wel te verwachten dat banken zullen lobbyen voor veranderingen in de manier waarop ze worden doorgevoerd en geprijsd. Eén verandering zou het strakker maken van het tijdschema kunnen zijn. Traagheid is niet de enige verklaring voor het falen van de claimemissie van HBOS, maar het is moeilijk in te zien waarom de aandeelhouders drie maanden nodig zouden hebben om te beslissen wat ze willen doen.

Een andere verandering zou een verhoging van de vergoedingen kunnen zijn. Claimemissies brengen doorgaans 2 procent op van het geboden bedrag aan nieuwe aandelen, waarvan ongeveer de helft naar de onderaannemers gaat. Vergelijk dat eens met de vergoedingen voor aandelenemissies buiten de beurs om, met name in de VS, die wel 5 procent kunnen opleveren. Nu een mislukking een reële mogelijkheid is, kunnen de waarborgende banken hogere eisen gaan stellen.

Ieder van deze wijzigingen lijkt op zichzelf redelijk, maar bij elkaar genomen niet. De gebruikelijke vergoeding van 2 procent zou het risico al moeten weerspiegelen dat de banken met de aandelen blijven zitten. De waarborgende banken bij de claimemissie van HBOS ontvingen een royale 4 procent. Een verfijning van de voorwaarden bij claimemissies is gerechtvaardigd, zolang het er maar niet op uitdraait dat banken minder risico hoeven te nemen tegen hogere vergoedingen.

John Foley

Vertaling Menno Grootveld

Voor meer commentaaruit Londen: www.breakingviews.com