Chocoladerepen eten voor de Spelen

De organisatie van de Spelen van 1928 kreeg geen rijkssteun. Er werd een beroep op de bevolking gedaan, hetgeen onvermoede krachten losmaakte. ‘Zelfs bij de armsten in den lande.’

De weigering van de Tweede Kamer om de organisatie van de Spelen van rijkssteun te voorzien, kwam hard aan bij het Comité 1928. NOC-voorzitter Schimmelpenninck van der Oye, nog maar net in functie, kwam direct met een voor zijn doen stevige verklaring. Nederland stond op het punt, zo zei hij, ‘te degraderen tot de klasse der internationale klaploopers. Sinds 1896 zijn we om de vier jaar gast geweest van diverse landen, hebben we geprofiteerd van hun inspanningen en van de kosten die zij voor ons hebben gemaakt. Thans was het onze beurt om gastheer te zijn en dreigen we de zaak te moeten teruggeven’.

Het Nederlandsch Olympisch Comité wilde het er niet bij laten zitten. Maar de tijd drong. Eind mei 1925 moest men op de IOC-vergadering in Praag laten weten of Amsterdam de Spelen kon organiseren.

Er zou ‘een beroep worden gedaan op heel het volk’. Drie dagen na het afwijzende besluit van de Tweede Kamer verscheen een ‘Manifest aan alle Nederlanders’ in een groot aantal dagbladen. Daarin stond onder meer:

‘Wij willen de wereldtaak, die ons volk werd opgelegd, om het groote internationale verbroederingsfeest der IXe Olympiade te organiseeren, in weerwil van het Kamerbesluit volbrengen. Wij willen deze schitterende gelegenheid om het algemeen volksbelang, in den ruimsten zin genomen, te dienen, niet aan ons volk laten voorbijgaan. Wij willen den naam van Nederland in de wereld hoog houden! Onze meening staat dan ook onherroepelijk vast.

De Olympische Spelen moeten in 1928 te Amsterdam worden gehouden! Dit kan, wanneer het geheele Nederlandsche volk het Nederlandsch Olympisch Comité in deze arbeid steunt en allen daartoe eendrachtig samenwerken!

Dat dit mogelijk is, blijkt wel uit de spontane medewerking, die het Comité in de laatste dagen van verschillende zijden werd toegezegd; uit de giften ook, die zelfs van de armsten in den lande, in deze dagen werden toegezonden, om het welslagen van het groot internationaal gebeuren en de eer van het land te redden.

Het N.O.C. heeft, daardoor gesterkt, besloten:

1. Een nationale inschrijving te openen, waarvoor een beroep wordt gedaan op de medewerking van de pers en van alle particulieren en commissies, die zich daarvoor in ons land en de koloniën willen vormen.

2. De oprichting te bevorderen van een Financieele Commissie tot het bijeenbrengen van een garantiefonds ten bedrage van één millioen gulden.’

Het Manifest viel in zeer vruchtbare aarde. Inmiddels had het publiek in detail kennis kunnen nemen van het debat in de Tweede Kamer, dank zij de notulen-achtige verslaggeving daarover in vele dagbladen. In de Nederlandse sportwereld had men met een mengeling van verbijstering en verontwaardiging gelezen in wat voor hoek men werd gedrukt door de meerderheid van de Kamerleden. Godloochenaars waren ze, heidenen, zondaars, nietsnutten, armen van geest, bevorderaars van zedeloosheid, ja, een schandvlek voor de natie waren ze.

Dit maakte plotseling onvermoede krachten los. De tamelijk rijke voetbalbond ging voorop met een garantiesom van 10.000 gulden. Zoals het NOC hoopte, kwam nu ook het gewone publiek in het geweer. In tientallen steden werden comités gevormd om gelden te vergaren. Van de kegelclub Houtenballenclub in Rotterdam tot de Senaat van ’t Delftsche Studentencorps, van de harddraverij-vereeniging Meppel en Omstreken tot de leerlingen van mulo’s, hbs’en en lycea, van de Vereeniging van fokkers en liefhebbers van Duitsche herdershonden tot leden van de Amsterdamse Effectenbeurs, iedereen droeg zijn penningen bij, groot of klein.

Er waren in de inzamelingsdrift van die speciale acties die alleen in Nederland worden uitgevonden. Heck’s lunchrooms in vijf steden zouden een cent per bezoeker afdragen, met in elk geval een garantie van 500.000 bezoekers, wat 5.000 gulden opleverde. Jamin (185 filialen) lanceerde een speciale chocoladereep van 5 cent en van elk verkocht exemplaar zou een cent naar het NOC gaan.

Er kwam ook geld uit onverwachte hoek: William Wrigley, de Amerikaans kauwgommagnaat, schonk 25.000 gulden bij een bezoek aan Nederland, ‘uit bewondering voor het Nederlandsche volk, een volk van werkers’. Zo vergaarde het NOC in twee weken tijd anderhalf miljoen gulden. Veel meer dan men had durven hopen.

Opgelucht konden de NOC-officials Schimmelpenninck en Scharroo de trein nemen naar de IOC-vergadering in Praag.

In het weekblad De Revue der Sporten was tijdens de actie aangegeven wat het op deze wijze, dus door de bevolking, bijeenbrengen van het miljoen zou betekenen: ‘Dan staan we franker en vrijer! Hebben we niets meer te maken met beperkingen en controle-maatregelen van neuswijze regeeringsambtenaren. Dan kunnen we alles regelen zooals het moet’. De zondag zou volledig worden benut, daar hoefde niemand meer aan te twijfelen. Het blad De Nederlander (CHU) had de tegenstanders van de rijksbijdrage daarvoor al in een veel eerder stadium gewaarschuwd: ‘Vervalt de regeeringssteun dan verbeelde niemand zich dat het Olympisch Comité zich het offer van eerbiediging van de zondagsrust, ook financieel van groote betekenis, zal opleggen’. Ook in gereformeerde kring leefde hier en daar die gedachte wel. Maar De Standaard maakte daar korte metten mee: ‘Voor de Zondagsontheiliging is alleen verantwoordelijk die haar begaat en de Overheid, die haar toelaat’.

Dit is de deel twee van een tweedelige voorpublicatie van het boek Een model voor de toekomst van Ruud Paauw en Jaap Visser (Uitgeverij deBuitenspelers, 49 euro). Het eerste deel verscheen donderdag 17 juli.