Bis is mis

Het openbreken van een vrijspraak door de rechter blijft een stap te ver. Juist door DNA en andere nieuwe technologieën die nu als reden worden gegeven.

‘Waarom moet nu geregeld wat in het verleden een paar maal expliciet is afgewezen?” Deze retorische vraag stelde de Rotterdamse hoogleraar strafrecht P.A.M. Mevis eind vorig jaar in Delikt & Delinkwent. Hij had het over de zogeheten „herziening ten nadele”: het openbreken van vrijspraken waarover twijfel is gerezen. Mevis was vijf jaar geleden co-auteur van een negatief advies aan de regering. Minister Hirsch Ballin (Justitie) wil nu toch revisie van vrijspraken mogelijk maken.

De minister erkent zelf dat deze vorm van revisie „niet onproblematisch is”. Het openbreken van een vrijspraak is iets anders dan het sluiten van een onderzoek omdat het spoor doodloopt, een zogeheten cold case. Vrijspraak is een rechterlijk eindoordeel. Dan moet het ook afgelopen zijn, zei het oude Rome, de bakermat van ons recht: ne bis in idem (geen dubbel proces). Nederland verwierp een voorstel om vrijspraken open te breken bij de totstandkoming van ons geldende Wetboek van Strafvordering.

„Het is in strijd met het wezen van de rechtspraak als een partij kan terugkomen op een geschil”, aldus R.M. Vennix van de Vrije Universiteit in 2001. Daarbij komt het zogeheten „vertrouwensbeginsel” uit het bestuursrecht, dat zich met name richt tot het Openbaar Ministerie (OM), de aanklagers die een zaak willen heropenen. Vergeet vooral niet het in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens neergelegde beginsel van de presumptio innocentiae: een ieder wordt voor onschuldig gehouden tot zijn schuld wettig bewezen is. Dat maakt verschil tussen een stukgelopen onderzoek en een vrijsprekend vonnis. Een extra juridische complicatie is het gelijkheidsbeginsel. Iemand die is vrijgesproken kan bezwaarlijk anders worden behandeld dan een willekeurige burger die niet eerder onderwerp van onderzoek is geweest. Dit maakt het moeilijk om het DNA van een vrijgesproken verdachte te bewaren.

Toch zijn de toenemende mogelijkheden van DNA een belangrijk argument voor Hirsch Ballin voor het herzien van vrijspraken. Dit argument wordt echter ondergraven door een recente studie van het wetenschappelijk centrum van zijn ministerie, het WODC, over de inzet van nieuwe technologieën als DNA, nanotechnologie (de opkomende technologie van minuscule deeltjes), biometrie en informatie- en communicatietechnologie. De auteurs concluderen dat de nieuwe technieken, zeker in combinatie, de onderzoekscapaciteit van de overheid „significant vergroten”.

Van belang is vooral de kanttekening dat dit geldt bij de bestaande onderzoeksbevoegdheden. Dus zonder dat daar een nieuwe wet aan te pas hoeft te komen. Dat geldt ook voor het wetsvoorstel van Hirsch Ballin. „Politie en OM mogen van alles met je doen”, zoals prof. Van Koppen zei in deze krant van 16 juli: „afluisteren, vastzetten, verhoren, je huis doorzoeken (en dat is nog slechts een greep). Dan zegt de rechter op een gegeven moment: het is afgelopen. En straks mag het OM weer gewoon van voren af aan beginnen?”

Hirsch Ballin ruikt ook wel onraad en belooft een beperking tot „een aantal welomlijnde zeer zware zaken”. Met name misdrijven waarop levenslang staat. Daar komen nog nadere eisen bij zoals „zeer sterk” nieuw bewijs. Maar er is een gevaarlijke ontsnappingsclausule ingebouwd. Vrijspraken kunnen ook worden opengebroken als sprake is van mogelijke ‘ernstige procedurele onregelmatigheden’, zoals liegende getuigen. Dat zet een deur open waarvan Hirsch Ballin de bewaking toevertrouwt aan het College van procureurs-generaal en niet van de onafhankelijke procureur-generaal bij de Hoge Raad, zoals in gewone herzieningszaken.

Het College is een niet-onafhankelijk beleidsorgaan, dat zich moeite heeft gegeven om de herziening van vrijspraken binnen te smokkelen in de hervorming van de reeds bestaande herziening van veroordelingen. Dit laatste is onder vuur komen te liggen na de geruchtmakende rechterlijke dwalingen in de Puttense moordzaak en de Schiedammer parkmoord. Niet in de laatste plaats door de rol van het OM.

Verruiming van de herziening van veroordelingen waarover twijfels zijn gerezen is geboden. Dat geldt niet voor de herkansing die de aanklagers voor zichzelf bedingen. Al was het alleen al vanwege het gevaar dat het onrealistische verwachtingen wekt bij nabestaanden. Maar waarom wél herziening van verdachte veroordelingen en niet van verdachte vrijspraken? Dat is het principiële verschil tussen de individuele burger die zucht onder een aanvechtbaar vonnis en de staat die zich daar van af maakt.

Frank Kuitenbrouwer is medewerker van NRC Handelsblad. Reageren? E-mail kuitenbrouwer@nrc.nl of via nrc.nl/kuitenbrouwer (Reacties openbaar na goedkeuring door de redactie.)