Bij Graadt van Roggen wuift en stuift de wind

Expositie ‘Schilderijen van Job Graadt van Roggen’, Marie Tak -Van Poortvliet Museum, Domburg. Inl. tel: 0118-584618

Domburg was begin vorige eeuw een trefpunt van schilders die zich lieten inspireren door het heldere Zeeuwse licht en het kustlandschap. De schilder Jan Toorop die er tussen 1903 en 1924 bijna elk jaar logeerde, liet in 1911 in de duinen een door hemzelf ontworpen expositiegebouwtje neerzetten waar tentoonstellingen werden georganiseerd. In 1921 bezweek het houten paviljoentje onder een storm. Veel later, in 1994, werd het herbouwd, niet in de duinen, maar middenin Domburg, in een steviger versie dan het wankele ‘kotje van Toorop’, zoals het eertijds in de volksmond heette. De heropening werd gevierd met een reconstructie van de legendarische expositie die er in 1912 was gehouden. Daaraan deden behalve Jan Toorop ook Piet Mondriaan, Jacoba van Heemskerck en Lodewijk Schelfhout mee. Een van de minder bekende deelnemers was de schilder en graficus Job Graadt van Roggen (1867-1959). Hij exposeerde in 1912 onder meer de schilderijen Walcheren (1911), een weids uitzicht over de Zeeuwse akkers en weilanden, en Warme dag (1911) waarin hij een dromerige impressie gaf van een huisje in een duinvallei. Deze twee doeken hangen nu opnieuw in het Domburgse museumpje, op de tentoonstelling Volop zomer, Schilderijen van Job Graadt van Roggen.

Graadt van Roggen heeft vooral naam gemaakt als etser van stadsgezichten en landschappen. Maar zijn hart ging uit naar het schilderen en hij heeft in zijn lange leven – hij werd 92 – naast zijn grafische werk ook een heel persoonlijk en consistent oeuvre bij elkaar geschilderd. Een mooiere plaats voor zijn schilderijen dan het museum in Domburg is nauwelijks denkbaar. Zijn favoriete motieven waren het strand, de zee en vooral het duinlandschap, in al zijn variaties. Hij was een plein air schilder die in zijn woonplaats Bergen, en alle kustplaatsen die hij op reizen door Europa aandeed, erop uit trok.

In 1893, nog voordat Domburg door Toorop werd ontdekt, tekende Graadt van Roggen hier al de natuur en de Domburgse bevolking in klederdracht. Het is opvallend dat in zijn schilderijen vrijwel nooit mensen voorkomen, op een enkel zelfportret na, zoals het Zelfportret in de winter uit 1942. Hierop beeldde hij zichzelf schilderend af, in een sneeuwlandschap onder een donkere lucht. Op dit doek kijkt de schilder ons aan met een beduchte, bijna argwanende blik.

Dat Job Graadt van Roggen altijd de verlatenheid zocht heeft misschien te maken met zijn handicap: vanaf zijn derde was hij doof en daardoor heeft hij ook nooit goed leren spreken. Toen hij vijf was stuurden zijn ouders, die in Haarlem woonden, hem naar een doofstommeninstituut in Groningen. Vanaf zijn twaalfde volgde hij de avondopleiding aan de Academie Minerva. Later, vanaf 1884 toen hij weer thuis woonde, bezocht hij de Amsterdamse Rijksacademie. Daar raakte hij bevriend met Ferdinand Hart Nibbrig die begin vorige eeuw bekend werd om zijn pointillistische schilderijen. Ook onderging Graadt van Roggen de invloed van Jan Toorop, die in die tijd eveneens pointilleerde. Maar een echte pointillist zou hij nooit worden, hij schilderde wel in kleurtoetsen, maar altijd uit de losse hand en nooit in stippen, dat was hem te precieus.

Graadt van Roggen noemde zichzelf een ‘luminist’ en dat was hij ook. Zijn schilderijen maken indruk door de manier waarop hij het licht en de kleuren in hun subtiele schakeringen weergaf. Vooral de strand- en duingezichten die hij tussen 1910 en 1925 schilderde, tintelen van kleur – zelfs een kale zandverstuiving wist hij tot leven te brengen.

Maar zoals uit deze expositie blijkt, was er nog een element dat hij in zijn werk wist te vangen: de wind. Een enkele keer hangt er een windstille warmte boven het duin, maar meestal stuift, wuift en waait het in zijn werk. Je ziet de wind in voorbij schietende wolken, rimpelingen op het water, boomkruinen die eensgezind één kant opwaaien. Hoe stil en verlaten zijn duin- en strandgezichten ook zijn, ze zijn nooit statisch. Zelfs in het lage helmgras voel je de bries die hij gevoeld moet hebben als hij daar buiten aan het werk was.