65-plusser aan de slag

Minister Donner (Sociale Zaken en Werkgelegenheid, CDA, 59) heeft een bijzonder talent om Kamerleden, te irriteren. Als ze niet op reces waren geweest, zou er vandaag ongetwijfeld een spoeddebat zijn gehouden over de suggestie die de minister zondag in De Telegraaf deed om de pensioengerechtigde leeftijd te verhogen. Sommige Kamerleden leken vervolgens bezig aan een wedstrijd in de media wie er hardst ‘nee’ tegen kon zeggen.

Op Donners timing en slalombewegingen valt wel wat aan te merken. Nog in mei kwam hij met een voorstel om doorwerken na het 65ste jaar en uitstel van de AOW op vrijwillige basis mogelijk te maken. Het adjectief vrijwillig stond er met nadruk bij. En het kabinet nam vorige maand het voorstel van de commissie-Bakker om de pensioengerechtigde leeftijd geleidelijk naar 67 te verhogen, niet direct over.

Aan dat laatste moet wel worden toegevoegd dat het kabinet erbij zei verhoging van de AOW-leeftijd „welhaast onvermijdelijk” te vinden en dat slechts onder voorwaarden daarvan kon worden afgezien. Een van die voorwaarden was dat de verhouding tussen werkzaam leven en levensverwachting niet verder afneemt. Anders gezegd: dat de trend, dat Nederlanders zowel steeds minder werken als steeds ouder worden, niet voortgaat. De regering zal er niet naar streven dat haar onderdanen ophouden met steeds ouder te worden. Dus zit er weinig anders op dan langer door te werken.

In 2011 zullen meer werknemers de arbeidsmarkt verlaten dan er bijkomen. Zonder ingrepen zal in 2030 de verhouding tussen het aantal werkenden en het aantal niet-werkende 55-plussers één op één zijn (nu twee op één). De oorzaak is simpel: de naoorlogse babyboomers stoppen met werken.

Natuurlijk is het zaak dat eerst de generatie onder de 65 meer participeert. Eind 2006 had maar 22 procent van de 60-plussers een baan. Dat betekende dat 1,2 miljoen mensen in de leeftijdsgroep 60-65 niet werkten. Overigens werkte in 2000 maar 16 procent van de 60-plussers. Er is dus al een kentering gaande, veroorzaakt door het (geleidelijk) verdwijnen van vut en prepensioen. De gemiddelde uittreedleeftijd gaat reeds omhoog.

Maar dat zal niet genoeg zijn. Demografische ontwikkelingen maken het onontkoombaar dat de pensioengerechtigde leeftijd ter discussie wordt gesteld. Op politiek niveau en tussen werkgevers en werknemers. Het zou goed zijn als het kabinet nu reeds maatregelen nam om geleidelijk naar een hogere pensioenleeftijd dan 65 te gaan. Omwille van de economie, maar ook om de betaalbaarheid van voorzieningen als de AOW. Verdere fiscalisering daarvan is ook een optie, al zullen toekomstige 65-plussers met een goed pensioen al meer dan de huidige AOW’ers bijdragen aan de staatskas.

Het is denkbaar dat bij de pensionering onderscheid wordt gemaakt naar beroep of dat het aantal gewerkte jaren een factor wordt. Er zijn diverse varianten mogelijk. Alles is beter dan een debat over de pensioenleeftijd tot taboe te verklaren, zoals Kamerleden in meerderheid hebben gedaan.