Wij zijn geen zwijnen

Arnon Grunberg werkt als cateraar bij het Zwitserse spoor en doet verslag. Aflevering 7 van een serie.

Wie mee mag rijden op internationale trajecten geniet enig aanzien in de wereld van de restauratiewagen. Soms zit er zelfs een overnachting in.

„Hoe zijn de hotels?” vraag ik aan Ennio Morcaldi, mijn collega vandaag. Hij is geboren in de buurt van Salerno maar werkt al veertig jaar in Zwitserland in restauratiewagens. Op internationale trajecten werk je in de regel met zijn tweeën. Ik ben de derde, want ik ben in training. De tweede werkt in de keuken die ‘office’ wordt genoemd, wat een goede benaming is voor deze keuken, want gekookt wordt er niet. Hooguit opengesneden, opgewarmd en schoongemaakt. In de office werkt Iris, een kleine Zwitserse vrouw uit Dietikon.

Vandaag doe ik me voor als eeuwige student politicologie, woonachtig in de Steinwiesstraße in Zürich.

„Krijg je ook 22 frank per uur?” vraagt Iris. Ik heb geen idee wat ik krijg.

„Het wordt later niet meer”, zegt Iris. „Hoe lang je ook voor de firma werkt, je gaat niet meer verdienen. Onthoud dat.” Ik beloof dat te onthouden.

„En nog iets,” zegt Iris. „We zijn geen slaven van de firma.”

Een vrijgezellenfeest rijdt mee naar München. De mannen drinken al ons witbier op.

Ennio zegt: „Verkoop geen witbier meer.” De jongen voor wie het vrijgezellenfeest is georganiseerd, is met een zonnebril op in slaap gevallen. Inmiddels hebben we een uur vertraging. Dat betekent dat we geen pauze hebben in München.

Een vrouw die in haar eentje twee prosecco heeft besteld krijgt zonder dat daartoe aanleiding lijkt te zijn de slappe lach.

„Wat is er zo grappig?” informeer ik. „Alweer vertraging”, zegt de vrouw.

In de office beweegt Ennio een leeg flesje sinaasappelsap tussen de benen van Iris. Haar uniform heeft ze uiteraard wel aan. Iris giechelt en Ennio zegt: „Kleine vrouwen zijn gevaarlijke vrouwen.”

„Ach,” zeg ik, „grote vrouwen kunnen ook best gevaarlijk zijn.” Iris maakt zich los van Ennio.

„Hoe groot is je vriendin?” vraagt ze. „Gemiddelde lengte”, antwoord ik.

„Op de terugweg ga ik je wat leren”, zegt ze.

Al snel begrijp ik wat ze bedoelt. Ze zegt: „Er werken zwijnen voor deze firma.”

De gehele office wordt door mij geschrobd, onder aanvoering van Iris. Ze pakt een tafellaken. Ik kan haar adem voelen.

Iris zegt: „Officieel mogen we niet met tafellakens schoonmaken, maar we hebben niets anders dus gebruiken we een tafellaken. Want wij zijn geen zwijnen, niet? Wij zijn toch geen zwijnen?”