Vroeger was clown Henkie vast nog populair

Twee auteurs keren terug naar de Nederlandse vakantiebestemmingen uit hun jeugd.

Vandaag: 1976. Met clown Henkie op de camping.

Mijn lievelingsspeeltoestel was een ton op zijn kant die kon draaien. Het was lastig om erop te klimmen, tenzij je een sprongetje maakte en meteen begon te rennen. Ik zou een prima ratje zijn geweest, want ik kon me weinig leukers voorstellen dan die ton. Of ja, het échte rad, dat ook al leek op knaagdierenspeelgoed, maar dan groot.

Hoogtepunt van de dag was het moment dat ik mijn vader mee had gekregen naar de speeltuin. Ik ging op mijn rug in het grote rad liggen en klemde me stevig vast aan de randen. De eerste rondjes ging het draaien nog traag, dan voelde je als je op je kop hing de zwaartekracht aan je lijf rukken. Bij het neerkomen moest je oppassen dat je achterhoofd niet tegen het hout bonkte, maar eenmaal op gang werd je juist tegen het rad aangedrukt. Niemand durfde zo hard en zo lang als ik.

„Knap hoor”, zei mijn vader.

Op Camping ’t Stien ’n Boer is geen rad, wel zijn er skelters, speeltoestellen en twee zwembaden.

„Knap hoor!”, roept een vader naar zijn dochter die met een grote grijns haar skelter de sanitairhokken in stuurt. En toch heb ik het gevoel dat het hier om een heel ander soort vakantie-ervaring gaat.

Op het terras voor het restaurant is men voorzichtig aan een eerste biertje begonnen, het is tenslotte feest want ’t Stien ’n Boer bestaat vijfendertig jaar. Op het programma staan onder andere klootschieten, speurtocht en clown Henkie in de overdekte speeltuin. Voor Henkie zijn we precies op tijd.

„Ik! Ik! Ik!”, gillen de kinderen als we binnenkomen, de clown heeft net beloofd dat ze allemaal een zelfgeblazen ballonbeest zullen krijgen.

„Drie keer drie is twee”, humt Henkie, om hun hebzucht een beetje af te remmen. „Steek je neus in de wc”, mompelt hij er achteraan, dat werkt beter.

Ik ben niet opgegroeid met clowns, dus alle clowns die ik sindsdien heb gezien lieten me koud. Een clown is namelijk net als Sinterklaas: je moet er jong in gaan geloven, anders voel je de magie niet. Desondanks weet Henkie me te raken, hoewel waarschijnlijk niet op de manier die hij zou willen.

Ik kijk van zijn reuzenschoenen naar zijn geel met rode colbert en smelt bij het zien van de rimpels om zijn rode dopneus. Ik schat hem eind vijftig.

Op het moment dat hij een fraaie tekkel aan een klein jongetje overhandigt, zie ik hem opeens in een kale vrijgezellenwoning in Hardenberg zitten. Een woning op de begane grond met een betegeld binnenplaatsje. Bij het raam zijn eenpersoonsbed waarop een fleecedeken met de afbeelding van een indiaan ligt. In de woonkamer een skaileren bank met sigarettengaten. Henkie zit voorovergebogen op die bank, rode neus naast zich, terwijl hij alvast wat peuken draait voor direct na zijn optreden in de auto naar huis.

„Clowns hebben iets treurigs, vind je niet?”, vraag ik mijn vriend. Maar die gaat op in ‘Deze vuist op deze vuist’.

„Dit is onze muziek”, fluistert hij opgetogen.

Ik kan mijn fantasie niet stoppen.

Vroeger, in de jaren tachtig, had clown Henkie vast nog vier optredens per week. Toen werd zijn cassettedeck als iets moderns gezien.

Vroeger was hij ook nooit zenuwachtig voor zijn optredens. Maar ’t Stien ’n Boer is zijn enige klus deze maand en hij wil het goed doen. Werd hij maar niet door de angst achtervolgd dat hij zijn ballonnen niet meer op tijd tot beesten gedraaid zal krijgen.

„Vis aan een hengel!”, gilt een dominant witblond meisje, waardoor ik opschrik en clown Henkie even stopt met versjes zeggen. Ik rek mijn nek en zie dat Henkie voor zichzelf een lijst heeft gemaakt met ballonvormen die hij goed kan. Nummer 28, vis aan een hengel.

Het meisje is wat langer dan de rest en heeft geen zin meer om ‘hoofd schouders knie en teen’ te doen. „Nu!”, zet ze haar eis kracht bij. Ik kijk om me heen wie de ouders zijn, maar geen van de volwassenen geeft een teken van betrokkenheid.

„Henkie woont in Spanje en zijn neus lijkt op een kastanje”, zegt Henkie.

We besluiten nog een rondje te gaan lopen.

Onderweg vertel ik mijn fantasie over Henkie, en mijn vriend protesteert. „Misschien heeft hij wel vier vrouwen en een kasteel. Bovendien, hij haalt het heus wel op tijd.”

„Maar al zijn ballonnen klappen. Ik denk dat ze net als de clown een beetje oud zijn.”

„Niet.” Mijn vriend blijft staan. „Ze klappen niet allemáál.”

Er zit hartstocht in zijn stem, ik vermoed meer dan één clown in zijn verleden.

We lopen verder.

Ik denk aan het maïsveld dat hier ergens in de buurt lag, vroeger. Dat we gingen rennen over de smalle paden tussen de maïsrijen in. Zo’n magisch veld waarin je voor eeuwig door kon rennen, dat geloofde ik echt. Als geboren stadskindje heb ik nog tijden gedacht dat de maïs in de loop der jaren kromp, iets waar ik actie tegen wilde ondernemen. Totdat ik me eindelijk realiseerde dat ik zelf was gegroeid.

We keren terug naar Henkie en worden bij het betreden van de overdekte speeltuin onder de voet gelopen door het witblonde meisje met een vis aan een hengel.

Henkie is onzichtbaar omdat de kinderen in hun gretigheid in zijn ballonnenbak zijn gedoken. Als ik dichterbij kom, zie ik dat hij net de laatste hand legt aan een prachtige vogeltje. Het meisje dat hem gaat krijgen staat doodstil van bewondering. Hij overhandigt het beestje en peng, de vleugeltjes exploderen.

Thuis op zijn skaileren bank heeft hij vast geoefend van tevoren. Na een paar sierlijke beestjes heeft hij ook Patrick de buikspreekpop nog even uit zijn koffer gepakt en hem een paar keer ‘Sukkel’ en ‘Flapdrol’ laten zeggen, succes gegarandeerd.

En nu willen verdorie de ballonnen niet. Henkie draait de cassette nog maar eens om. ‘Op een onbewoond eiheiheiland’.

Ik zing hard mee, om de clown een hart onder de riem te steken. Henkie kijkt met een half opgeblazen ballon in zijn mond in mijn richting.

Volgens mijn vriend denkt hij nu dat ik hem uitlach, maar dat is absoluut niet waar.

Ik begin juist steeds meer in hem te geloven.