Pijpen

Toen er op kantoren nog gerookt mocht worden, zag je ze weleens: de pijprokende collega. Altijd een man, vrijwel altijd van middelbare leeftijd of ouder, en doorgaans een rustig, bedaard iemand. Dat moest ook wel, want voor pijproken heb je geduld nodig. Je moet een pijp leegkloppen, vullen, lichtjes aandrukken en vervolgens moet je met kalme regelmaat aan de pijp blijven zuigen – trekken of lurken zijn de correcte woorden – anders gaat-ie uit.

Het geduld dat je hiervoor nodig hebt is niet iedereen gegeven. Ik herinner me vagelijk dat in de jaren tachtig een poging is gedaan om pijproken hip en hot te maken door een modieus vormgegeven pijpje op de markt te brengen, maar dat is nooit wat geworden. Weliswaar bestaan er in Nederland pijprokersverenigingen en een Pijpelogische Kring, maar alles bij elkaar zijn pijprokers een zeldzaam verschijnsel geworden.

Lang lag dat anders. Zoals eerder gezegd werd tabak hier halverwege de 16de eeuw geïntroduceerd als wondermiddel tegen talloze kwalen. Tot ver in de 19de eeuw bleef pijproken de voornaamste vorm van tabaksgebruik, samen met snuiven en pruimen. In de 17de eeuw maakten wij kennis met de sigaar, maar tot ver in de 18de eeuw was daar nauwelijks belangstelling voor. Iets vergelijkbaars geldt voor de sigaret. Al in de 16de eeuw waren er missionarissen die tabak in maïsbladen rolden, en sinds het midden van de 18de eeuw produceerden Spaanse fabrieken papieren sigaretten, maar pas aan het eind van de 19de eeuw kwam de sigaret hier in de mode. Ik kom daar later op terug.

Pijpen maken werd in Nederland een grote industrie: in 1749 telde Gouda maar liefst 349 pijpenfabrieken, die werk verschaften aan de helft van de Gouwenaars. Er werd hier ook op grote schaal tabak geteeld, vooral in en rond Amersfoort. In 1670 waren daar al zo’n 120 tabaksplanters actief. Zij exporteerden hun waar onder meer naar Frankrijk, Italië, Zweden, Denemarken en Noorwegen. Uiteindelijk kreeg de Amersfoortse tabak overigens een slechte naam. Wie nu amersfoorder opzoekt in de Grote Van Dale, ziet daar als tweede betekenis ‘slechte, gemene tabak’.

Maar goed, de pijp was hier dus eeuwenlang gemeengoed en dat heeft z’n sporen nagelaten in onze taal. Er zijn alleen al zo’n honderd uitdrukkingen en spreekwoorden bekend waarin de pijp voorkomt. Of beter gezegd: een pijp, want niet altijd wordt het rookgerei bedoeld. Zo heeft de uitdrukking de pijp uitgaan niks met roken of een schoorsteen te maken, maar waarschijnlijk met pijp in een betekenis die nu bijna niemand meer kent, namelijk ‘konijnenhol’. Het idee is dat het konijn uit die pijp was vertrokken om niet meer terug te keren.

In welke pijpuitdrukkingen speelt het rookgerei wel de hoofdrol? Hier zijn er een paar. Zijn laatste pijp roken (‘spoedig zullen sterven’), zijn pijp is leeg (‘hij is volledig uitgeput’), nu breekt mijn pijp (‘nu is het mis’), iemand op een pijp vragen (‘vragen of hij eens komt praten, gezellig de avond komt doorbrengen’), een aangeklede pijp (‘een avondpartijtje waarbij wat gepresenteerd wordt’), ik geef er geen pijp tabak voor; dat is mij geen pijp tabak waard (‘het is mij niets waard, ik geef er niet om’) en de pijp uitkloppen (‘geslachtsgemeenschap hebben’). (Wordt vervolgd.)

Ewoud Sanders

Reacties en aanvullingen naar sanders@nrc.nl